Johann Strauss I
Componist

1804 – 1849

Portret van Johann Strauss I
Welkom, ik ben Johann Strauss I, de componist die vanuit Wenen heel Europa aan het dansen bracht met mijn walsen, polka's en marsen. Hier neem ik je graag mee in het verhaal van mijn eigen leven, van mijn jeugd in Leopoldstadt tot aan de drukbezochte balzalen. Samen met mijn collega-componisten help ik je op deze site bovendien om mijn stukken meteen te herkennen zodra je ze hoort, dus ga aan  de slag met de Trainer .
---

Liever strijkstok dan lijmpot

Ik werd in 1804 geboren in Leopoldstadt, een wijk in Wenen waar mijn ouders de herberg Zum heiligen Florian runden. Mijn jeugd kreeg een verdrietige wending toen ik op mijn zevende mijn moeder verloor en vijf jaar later ook mijn vader, die in de Donau verdronk. Mijn voogd Anton Müller vond het een verstandig idee om mij in de leer te doen bij boekbinder Johann Lichtscheidl, maar mijn hart lag veel meer bij de muziek dan bij papier en lijm. Gelukkig kreeg ik vioolles van Johann Polischansky en leerde ik later het vak van muziektheorie en compositie bij Ignaz von Seyfried.

Op eigen muzikale benen

Na een tijdje altviool te hebben gespeeld in het dansorkest van Michael Pamer, sloot ik me in 1819 aan bij het strijkkwartet van Joseph Lanner. Dat groepje groeide al snel uit tot een volwaardig orkest waarin ik hulpleider werd, maar in 1825, het jaar waarin ik ook met Maria Anna Streim trouwde, besloot ik voor mezelf te beginnen. Met mijn eigen orkest had ik al in 1826 een eerste echte voltreffer te pakken met de Täuberln-Walzer. Het publiek kon er geen genoeg van krijgen en vanaf dat moment wist heel Wenen wie ik was.

Van de danszaal naar het keizerlijk paleis

Mijn grote vaste plek in Wenen werd in 1829 de beroemde danszaal Sperl, waar de voeten avond aan avond nauwelijks de vloer raakten. We bleven trouwens niet alleen thuis, want ik trok met mijn muzikanten door onder meer Duitsland, Nederland, België en Frankrijk. In 1838 speelden we zelfs in Londen tijdens de feesten rond de kroning van koningin Victoria, wat voor een herbergerszoon uit Leopoldstadt toch een bijzondere ervaring was. De kroon op mijn werk in eigen stad kwam in 1846, toen keizer Ferdinand I mij benoemde tot directeur van de muziek voor de keizerlijke hofbals.

Meer dan honderdvijftig keer in het rond

In mijn leven heb ik meer dan tweehonderdvijftig stukken geschreven, waarvan het grootste deel bestaat uit walsen, galops, quadrilles en polka's die vooral bedoeld waren om mensen in beweging te krijgen. Zelfs serieuze collega's als Hector Berlioz en Richard Wagner luisterden graag naar wat wij op de lessenaar zetten. Toch kennen de meeste mensen mij tegenwoordig vooral van een heel ander soort werk dat je ook op deze site kunt beluisteren: de Radetzky March uit 1848. Ik schreef dat stuk om veldmaarschalk Joseph Radetzky von Radetz te eren na zijn overwinning bij Custoza, met een ritme dat zo aanstekelijk stapt dat je bijna vanzelf rechtop gaat zitten.

Ruzie in de familiezaak

Hoe feestelijk mijn muziek ook klonk, achter de voordeur was het een stuk minder harmonieus. Ik verliet mijn vrouw Maria Anna voor de hoedenmaakster Emilie Trampusch, met wie ik acht kinderen kreeg, wat in 1844 leidde tot een officiële scheiding van tafel en bed. Bovendien wilde ik absoluut niet dat de zoons uit mijn huwelijk met Maria Anna in de muziek zouden gaan, omdat ik maar al te goed wist hoe zwaar dit beroep was. Mijn oudste zoon Johann Strauss II trok zich daar niets van aan en begon in 1844 in Hietzing gewoon zijn eigen orkest, zodat ik er in mijn eigen familie ineens een geduchte concurrent bij had.

Een veel te vroeg slotakkoord

Die laatste jaren waren een drukke bedoening, met aan de ene kant mijn verplichtingen aan het hof en aan de andere kant de voortdurende wedijver met mijn eigen zoon. Mijn muzikale energie leek onuitputtelijk, zeker toen in 1848 de Radetzky March voor het eerst door Wenen schalde. Mijn eigen lichaam hield dat hoge tempo helaas minder lang vol dan mijn orkest. In september 1849 kreeg ik roodvonk en overleed ik op slechts vijfenveertigjarige leeftijd in het appartement aan de Kumpfgasse dat ik met Emilie deelde.

Drie eigenwijze zonen en een eregraf

Na mijn dood werd ik eerst begraven op de begraafplaats van Döbling, vlak naast mijn oude vriend en rivaal Joseph Lanner. In 1904 kregen we allebei een mooi eregraf op de centrale begraafplaats van Wenen, zodat we ook na ons leven nog gebroederlijk naast elkaar liggen. Mijn verbod aan mijn kinderen om muzikant te worden is trouwens jammerlijk mislukt, want niet alleen Johann Strauss II, maar ook mijn zoons Josef Strauss en Eduard Strauss werden bekende componisten. Zo werd ik tegen wil en dank de stamvader van een hele muzikale dynastie en een wegbereider van de echte Weense walstraditie.

Muziek voor lichte voeten

Als je vandaag naar mijn muziek luistert, hoop ik vooral dat je merkt hoeveel plezier erin zit. Je hoeft echt geen verstand van muziektheorie te hebben om je door een goede melodie of een stevig ritme te laten meenemen. Mijn bedoeling was altijd om de zorgen van alledag even buiten de deur van de balzaal te laten wachten. Als je bij het luisteren merkt dat je voet vanzelf begint mee te tikken op de maat, dan is mijn missie na al die jaren nog steeds geslaagd.
---
Hopelijk vond je het leuk om op deze manier kennis te maken met mijn leven en het verhaal achter mijn muziek. Als je benieuwd bent geworden naar hoe mijn werk klinkt, kun je op deze site meteen luisteren naar mijn Radetzky March. Klik gerust op de links hieronder om dat stuk zelf te ontdekken.
Radetzky March
Radetzky March, Op. 228