FRANZ LISZT

Portret van Liszt
Ik ben Franz Liszt, geboren in 1811 in een klein dorp dat toen nog in Hongarije lag, en ik ben pianist en componist geworden. Op deze pagina ga ik het verhaal van mijn leven vertellen, van de eerste toetsen die ik als kind aanraakte tot de laatste jaren die ik doorbracht. Ben jij benieuwd naar de man achter de muziek?
---

Een wonderkind uit een dorp dat nu in Oostenrijk ligt

Ik werd in 1811 geboren in Doborján, dat toen bij Hongarije hoorde en nu Raiding heet en in Oostenrijk ligt. Mijn vader Adam werkte als rentmeester voor prins Nikolaus II Esterházy en kende Joseph Haydn persoonlijk, dus muziek hing bij ons als vanzelf in de lucht. Rond mijn negende gaf ik in Sopron mijn eerste openbare concert, en het ging zo goed dat er meteen optredens in Pressburg op volgden. Daarna ging ik naar Wenen, waar Carl Czerny me piano leerde en Antonio Salieri me compositie bijbracht, en eind 1823 verhuisde het hele gezin naar Parijs.

Het moment dat ik een viool jaloers maakte

In april 1832 hoorde ik in Parijs Niccolo Paganini spelen, en ik besloot nog diezelfde dag dat ik op de piano net zulke onmogelijke dingen wilde kunnen. Dat betekende uren oefenen, want wat een violist met vier snaren doet, moest ik met tien vingers op achtentachtig toetsen zien na te bootsen. In 1833 begon bovendien mijn relatie met gravin Marie d'Agoult, met wie ik drie kinderen kreeg: Blandine, Cosima en Daniel. Tegen 1844 raakten mijn concerten zo in de mode dat Heinrich Heine er een eigen woord voor bedacht: Lisztomania, een soort koorts waar het hele publiek last van leek te hebben.

Weimar, waar ik eindelijk de baas van het orkest was

In 1848 streek ik neer in Weimar als Kapellmeister, en prinses Carolyne zu Sayn-Wittgenstein woonde daar bij me. Na jaren als reizend pianist vond ik het heerlijk om op één plek te werken en een heel orkest te leiden. In Weimar schreef ik dertien symfonische gedichten, orkestwerken die een verhaal of een gedachte vertellen zonder dat er ook maar één woord bij wordt gezongen. Daar werkte ik ook aan mijn Faust Symphony uit 1854, die in september 1857 voor het eerst klonk, in Weimar natuurlijk.

De stukken waar iedereen me van kent

Op deze site vind je mijn Hungarian Rhapsody No 2, en dat is een stuk dat je waarschijnlijk al kent zonder het te weten. De eerste twee rapsodieën verschenen in 1851, en uiteindelijk werden het er negentien, allemaal geïnspireerd door de muziek van mijn geboorteland. Het stuk begint plechtig en loom, en dan gaat het tempo omhoog tot de vingers van de pianist bijna over het toetsenbord vliegen. Een heel andere kant van mij laat "La campanella" horen uit mijn Grandes etudes de Paganini, waarin ik een melodie van Paganini zo hoog en zo helder liet klinken als een klein klokje.

Een pianist met een priesterboord

In 1861 verhuisde ik naar Rome, en een paar jaar later deed ik iets wat mijn bewonderaars niet zagen aankomen. In 1865 liet ik me de tonsuur en de vier lagere wijdingen van de katholieke kerk geven, waarna ze me abbé Liszt noemden. Ik bleef gewoon componeren en lesgeven, maar het was wel even wennen om de grootste showman van Europa in een soutane te zien. Dat ik later ook nog schoonvader van Richard Wagner werd, toen mijn dochter Cosima in 1870 met hem trouwde, maakte het familieleven er niet rustiger op.

De laatste jaren, met een val van de trap

In 1875 werd ik de eerste president van de nieuwe muziekacademie in Boedapest, en dat voelde als een terugkeer naar mijn Hongaarse wortels. Ik reisde nog steeds heen en weer, tot ik in 1881 in Weimar van de trap viel en wekenlang niet kon bewegen. Daarna ging het langzaam bergafwaarts met mijn gezondheid, en ik voelde me niet meer de man die ooit een zaal in vervoering bracht. Op 31 juli 1886 stierf ik in Bayreuth op mijn vierenzeventigste, officieel aan een longontsteking.

Wat er van mij is overgebleven

Het symfonisch gedicht heb ik niet uitgevonden als woord, want Carl Loewe gebruikte de term al in 1828 voor een pianostuk. Wel heb ik dit soort muziek voor het orkest echt op de kaart gezet, en later hebben veel componisten dat voorbeeld gevolgd. Ook mijn manier van pianospelen is gebleven, want de pianist die alleen op het podium een hele zaal vult, begon in feite bij mij. En de academie in Boedapest bestaat nog steeds, dus nieuwe generaties musici kunnen daar leren wat ik zelf ooit in Wenen leerde.

Wat ik jou wil geven

Ik wil dat je even kunt voelen hoe het is om een vlammende, pure vreugde in je vingers te hebben, ook als je zelf geen noot kunt spelen. Luister naar mijn muziek zoals je naar een goed verteld verhaal luistert, met een rustig begin, een spannend midden en een stralend slot. Als je daarbij een beetje wordt meegesleept, dan heb je precies dezelfde koorts te pakken als het publiek van vroeger. Zet dus de Hungarian Rhapsody No 2 maar aan, en laat me weten of je ook hebt gemerkt dat je stilletjes bent gaan meetikken.
---
Heb je genoten van het verhaal van mijn leven, en heb je er misschien iets in herkend dat je zelf ook raakt? Op deze site kun je de Hungarian Rhapsody No 2 beluisteren, een stuk waarin ik de muziek van mijn geboorteland met veel vuur heb laten klinken. Klik gerust op de links hieronder en ontdek dit werk op je eigen tempo.
Hungarian Rhapsody No 2
Hungarian Rhapsody No. 2 in C-sharp minor, S. 244 No. 2