GUSTAV MAHLER

Portret van Mahler
Ik ben Gustav Mahler, componist en dirigent, geboren in Bohemen en mijn hele leven op zoek naar een muziek die de hele wereld kan omvatten. Op deze pagina ga ik het verhaal van mijn leven vertellen, van de kleine plaats waar ik opgroeide tot de laatste jaren in Wenen. Ben jij benieuwd naar de man achter de muziek?
---

Een kind tussen de kroegtafels en de zwarte toetsen

Ik ben op 7 juli 1860 geboren in Kaliště in Bohemen, en een jaar later verhuisde ons gezin naar Jihlava, dat toen Iglau heette, waar mijn vader een handel in sterke drank begon. Mijn ouders waren joods, en ik was een van veertien kinderen, van wie acht broertjes en zusjes als kind overleden, dus de dood hoorde van jongs af aan bij mijn wereld. Muziek was mijn uitweg: in 1870, ik was tien, gaf ik in Iglau mijn eerste openbare pianoconcert. Van 1875 tot 1878 studeerde ik aan het conservatorium van Wenen, waar Julius Epstein mijn pianoleraar was.

Eerst de baton, dan pas de partituur

Mijn doorbraak kwam niet in één klap, maar stap voor stap, en vooral als dirigent: Kassel in 1883, Praag in 1885, Leipzig in 1886 en daarna Boedapest van 1888 tot 1891. In Boedapest klonk op 20 november 1889 voor het eerst mijn Symphony No. 1, een stuk dat ik zelf had bedacht en nu eindelijk aan een zaal vol vreemden moest toevertrouwen. Van 1891 tot 1897 was ik hoofddirigent van het Stadttheater in Hamburg, en daar werd het steeds duidelijker dat ik met een orkest bijna alles voor elkaar kreeg. In Berlijn volgde op 13 december 1895 mijn Symphony No. 2, en vanaf dat moment hoefde ik niemand meer uit te leggen dat ik ook componist wilde zijn.

Een keizerlijk huis met een eigen opera

In 1897 werd ik directeur van de Hofopera in Wenen, de plek waar elke dirigent van mijn tijd van droomde. Er was wel een addertje: daarvoor moest ik me van het jodendom laten overschrijven naar het katholicisme, en dat heb ik gedaan. Tien jaar lang, van 1897 tot 1907, heb ik dat huis geleid, met een ijzeren discipline die de zangers en musici niet altijd even leuk vonden. In die jaren trouwde ik ook, op 9 maart 1902, met Alma Schindler, en kregen we in 1902 onze dochter Maria en in 1904 onze dochter Anna.

Een symfonie met een trompet als wekker

Als je van mij maar één werk wilt horen, dan is dat op deze site mijn Symphony No 5. Ik heb geprobeerd er een hele wereld in te stoppen, van donkere, zware momenten tot passages die zo stralend zijn dat je bijna zin krijgt om mee te zingen. Het begint met een eenzame trompet, en dat is een beetje alsof iemand voorzichtig op je deur klopt voordat hij je een lang verhaal gaat vertellen. Ik schreef nog veel meer symfonieën, maar deze is een prima plek om te beginnen, ook als je nog nooit een symfonie hebt gehoord.

Wat het hart niet kon dragen

In juli 1907 overleed mijn dochter Maria aan roodvonk en difterie, en dat bleef het zwaarste verlies van mijn leven. Het was extra pijnlijk omdat ik tussen 1901 en 1904 de Kindertotenlieder had geschreven, liederen over het verlies van kinderen, nog vóór het ons echt overkwam. In datzelfde jaar hoorde ik dat ik een hartafwijking had, waardoor ik mijn energieke leven moest afremmen, wat me bepaald niet goed afging. In de zomer van 1910 kwam daar nog bij dat ik van Alma's affaire met de architect Walter Gropius hoorde, en ik reisde naar Leiden om met Sigmund Freud te praten.

Van Wenen naar New York en terug

Na Wenen vertrok ik naar Amerika: in 1907 en 1908 dirigeerde ik bij de Metropolitan Opera in New York, waar ik op 1 januari 1908 begon met Tristan. Vanaf 1909 stond ik voor de New York Philharmonic, en in al die drukte bleef ik gewoon componeren, onder meer de Ninth Symphony, mijn laatste voltooide symfonie. Op 12 september 1910 dirigeerde ik zelf in München de première van mijn Eighth Symphony, waarvan ik de bijnaam niet leuk vond, want die had een impresario, Emil Gutmann, voor de publiciteit verzonnen. Een Tenth Symphony kwam niet meer af, want op 18 mei 1911 stierf ik in Wenen, vijftig jaar oud, aan een infectie van mijn hartkleppen, en ik werd begraven in Grinzing naast Maria.

Mijn tijd kwam toch nog

Ook na mijn dood is er nog muziek van me voor het eerst gespeeld: Das Lied von der Erde klonk op 20 november 1911 in München onder leiding van Bruno Walter. Dat past wel bij mij, want ik zei vaak dat mijn tijd nog zou komen, en daar heb ik uiteindelijk gelijk in gekregen. Mijn symfonieën zijn lang, groot en vol tegenstellingen, maar juist daardoor blijven musici en luisteraars er steeds weer naar terugkeren. Zelfs mensen die zeggen dat ze niets met klassieke muziek hebben, merken vaak dat zo'n symfonie van mij ineens van alles in beweging zet.

Wat ik je wil meegeven

Ik wil dat je mijn muziek niet beluistert als huiswerk, maar als een lange wandeling waarin van alles kan gebeuren. Er zit verdriet in, maar ook humor, heimwee, ruzie, een beetje dorpsmuziek en soms een plotselinge zonsopgang. Je hoeft niets te weten over symfonieën of dirigenten, als je maar bereid bent om even te blijven zitten en te luisteren. Begin gerust met de Symphony No 5, en als je halverwege denkt dat je een heel leven hebt gehoord, dan heb ik gedaan wat ik wilde.
---
Heb je er plezier in gehad om meer over mijn leven te ontdekken? Op deze site kun je ook luisteren naar een van mijn werken, de Symphony No 5. Klik gerust op de links hieronder en ontdek hoe die muziek klinkt.
Symphony No 5
Symphony No. 5 in C-sharp minor