Puffen en onweersbuien bij Summer (Four Seasons) van Vivaldi
De achtergrond
Concerto No. 2 in G minor, Op. 8, RV 315

Leuk dat je er bent, ik ben Vivaldi en ik neem je graag mee in het verhaal achter het ontstaan van mijn Summer (Four Seasons). Je komt erachter hoe mijn hete zomers aan het hof in Mantua en een bijbehorend Italiaans sonnet precies aangeven waar in de partituur de vogels fluiten en het onweer losbarst, zodat je het verhaal achter elke noot meteen meekrijgt. Verder helpen ik en de andere componisten je op deze plek om onze werken voortaan direct te herkennen wanneer ze ergens voorbijkomen, dus ga aan de slag met de Trainer .
---
Zweten aan het hof in Mantua
Toen ik tussen ongeveer 1718 en 1720 in Mantua woonde, merkte ik pas echt hoe genadeloos een Italiaanse zomer kan toeslaan. Ik werkte daar als kamer-kapelmeester aan het hof van prins Philip van Hessen-Darmstadt, de gouverneur van de stad. Sommige onderzoekers, zoals Karl Heller, vermoeden trouwens dat ik al rond 1716 of 1717 aan mijn seizoenen begon te schrijven, al houdt men het meestal op die jaren in Mantua. Hoe dan ook had ik daar alle tijd om die drukkende hitte om te zetten in muziek waar het zweet bijna letterlijk vanaf druipt.Een naam als een belastingformulier
Officieel heet dit stuk Concerto No. 2 in G minor, Op. 8, RV 315, wat natuurlijk klinkt alsof je een formulier bij het postkantoor moet invullen. Gelukkig kent iedereen het gewoon als Summer (Four Seasons), of L'estate zoals we in het Italiaans zeggen. Dat nummer RV 315 heb ik overigens te danken aan de Deense musicoloog Peter Ryom, die veel later mijn hele oeuvre netjes in zijn Ryom-Verzeichnis heeft geordend. Als je zoveel muziek schrijft als ik, is het best handig dat iemand anders achteraf de administratie voor je bijhoudt.Een cadeau voor een Boheemse graaf
Voordat de wereld mijn zomerse onweersbui kon horen, stuurde ik de geschreven partituren van de vier seizoenen op naar mijn Boheemse beschermheer, graaf Wenzel von Morzin. Zijn privé-orkest heeft de stukken destijds als eerste gespeeld, nog ruim voordat er een drukpers aan te pas kwam. Niemand weet meer precies op welke dag of in welke zaal die allereerste uitvoering plaatsvond, want zulke besloten hofconcerten werden toen niet netjes in een logboek bijgehouden. Ik weet alleen dat de muzikanten van de graaf hun vingers flink hebben moeten strekken om door mijn stormachtige noten heen te komen.Van twaalf stuks naar een eigen leven
Veel mensen denken dat mijn vier seizoenen als één los bundeltje op de markt kwamen, maar dat klopt niet. In 1725 gaf uitgeverij Michel-Charles Le Cène ze in Amsterdam uit als de eerste vier nummers van een flinke verzameling van twaalf concerten onder de titel Il cimento dell'armonia e dell'inventione, Op. 8. Die hele reeks droeg ik natuurlijk weer netjes op aan graaf Morzin, als dank voor zijn steun. Het boek sloeg direct in als een bom in heel Europa, en vooral in Parijs en Londen was mijn naam daarmee in één klap voorgoed gevestigd.Een driegangenmenu van afmattende hitte
Net als mijn andere concerten uit die tijd bestaat dit stuk uit drie losse delen, die je kunt zien als de drie gangen van een Italiaans diner waarbij het tempo steeds wisselt van snel naar langzaam en weer terug naar snel. In het eerste gerecht, I. Allegro non molto, zet ik een zinderende sfeer neer waarin vogels nog even zingen voordat een dreigende wind opsteekt en een herder begint te jammeren. Daarna volgt het rustigere tussengerecht, II. Adagio e piano – Presto e forte, waarin een gesprek tussen de solo-viool en de rest van de groep steeds bruusk wordt opgeschrikt door harde donderslagen. Het nagerecht is III. Presto, dat ik in de partituur ook wel Tempo impetuoso d'estate noem, en daarin barst de storm pas echt los met hagel en bliksem die het hele veld platwalsen.Ondertiteling voor de luisteraar
Bij die uitgave in Amsterdam liet ik meteen een Italiaans sonnet afdrukken dat precies uitlegt wat er in de natuur gebeurt. Er wordt weleens beweerd dat een latere uitgever die gedichten er voor de leuk bij heeft verzonnen, maar ze stonden echt al in mijn vroege manuscripten. Ik heb zelfs kleine letters in de bladmuziek gezet die precies verwijzen naar de regels van het gedicht, zodat je tijdens het spelen precies weet wanneer de noordenwind begint te blazen. Hoewel het gedicht in 1725 zonder naam van de schrijver werd gedrukt, gaan de meeste kenners ervan uit dat ik die verzen gewoon zelf heb geschreven.Geen trompetten nodig voor een orkaan
Je zou misschien denken dat je voor een flinke donderbui een heel leger aan pauken en trompetten nodig hebt, maar ik doe het met een heel klein gezelschap. Ik schrijf dit werk namelijk puur voor één solo-viool, twee gewone vioolpartijen, een altviool en de zogeheten basso continuo. Die laatste groep is eigenlijk de motor onderin de muziek en bestaat hier uit een cello samen met een klavecimbel of een orgel. Door het hele stuk in de sombere toonsoort G-mineur te houden, klinkt die kleine groep strijkers al vanaf de eerste noot alsof de lucht buiten gitzwart kleurt.Vogels en windstoten in de snaren
In I. Allegro non molto wissel ik stukken voor de hele groep telkens af met momenten waarop de solo-viool in zijn eentje een tafereel uitbeeldt. De violist mag daar eerst vrolijk het geluid van een koekoek, een tortelduif en een puttertje nadoen, alsof er nog geen vuiltje aan de lucht is. Vervolgens laat ik een zacht briesje waaien, maar al snel beukt de woeste noordenwind er met snelle noten dwars doorheen. Het contrast tussen dat lieflijke gefluit en de plotselinge paniek van de huilende herder maakt meteen duidelijk dat een zomerdag op het platteland zelden rustig eindigt.Vingersnijwerk tijdens de hagelbui
Na het onrustige II. Adagio e piano – Presto e forte vraag ik in het laatste deel het uiterste van mijn muzikanten. In III. Presto moeten zowel de solist als het orkest razendsnelle toonladders naar beneden spelen om de inslaande bliksem te laten horen. Daarbij springen ze in hoog tempo van de ene snaar naar de andere en spelen ze trillende noten die klinken als kletterende hagelstenen. Het is voor een violist topsport om dit tempo bij te houden zonder dat de strijkstok uit de bocht vliegt.Van de achttiende eeuw naar het witte doek
Het blijft mooi om te zien dat mijn zomerse noodweer eeuwen later nog steeds niet is gaan liggen. In 2012 nam de componist Max Richter mijn werk bijvoorbeeld onder handen voor zijn veelgeprezen album Recomposed by Max Richter: Vivaldi – The Four Seasons. En in 2019 gebruikte regisseur Céline Sciamma het stormachtige derde deel op een prachtige manier in haar film Portrait of a Lady on Fire, helemaal aan het einde in de concertzaal. Zo zie je maar dat een flinke regenbui uit Mantua zelfs na driehonderd jaar nog voor kippenvel kan zorgen.---
Hopelijk vond je het mooi om te lezen hoe mijn Summer (Four Seasons) ooit is ontstaan. Natuurlijk valt er in de muziek zelf nog veel meer te ontdekken en te beluisteren. Klik dus gerust op de links hieronder om dit stuk nog wat verder te verkennen.
