Trompetten voor de zonnekoning bij het Te Deum Prelude van Charpentier
De achtergrond

Te Deum in D major, H. 146: I. Prelude

Charpentier vertelt de achtergrond van zijn Te Deum Prelude
Goed dat je er bent, ik ben Marc-Antoine Charpentier en ik neem je graag mee in het verhaal achter het ontstaan van mijn Te Deum Prelude. Je ontdekt hier hoe een feestelijke opening die ik voor een kerkdienst na een Franse overwinning schreef na eeuwen in een archief opeens een wereldberoemde televisiemelodie werd. Wil je onze stukken voortaan ook meteen herkennen wanneer je ze ergens voorbij hoort komen, laat mijn collega's en mij je dan op deze site op weg helpen en  start direct met de Trainer .
---

Muziekles aan een koninklijk neefje

Tussen 1688 en 1698 werkte ik in Parijs als maître de musique bij de jezuïetenkerk van Saint-Louis. In diezelfde jaren gaf ik ook compositieles aan Philippe d'Orléans, de hertog van Chartres en een neef van koning Louis XIV. Tussen die lessen en mijn werk voor de kerk door schreef ik het grote motet waar mijn Te Deum Prelude het openingsdeel van is. Je kunt gerust zeggen dat mijn agenda in die tijd behoorlijk vol zat, al klaag je natuurlijk niet zo snel als de koninklijke familie op de stoep staat.

Feestvieren in oorlogstijd

Zo'n grote dankdienst schreef je in die tijd niet zomaar voor een doordeweekse zondag, maar om een militaire of diplomatieke overwinning tijdens de Negenjarige Oorlog te vieren. Niemand weet meer precies op welke dag het stuk voor het eerst klonk, want dat is in de oude papieren helaas nergens opgeschreven. De meeste kenners denken dat ik het rond 1691 of 1692 op papier zette en koppelen de eerste uitvoering aan de Franse zege bij de Slag bij Steenkerke in augustus 1692, al houden sommigen het op de vieringen rond het Verdrag van Turijn in 1696. Hoe dan ook moest de muziek vanaf de allereerste tel klinken alsof de vlaggen al wapperden.

Een toonsoort met spierballen

Voor zo'n plechtige en tegelijk uitbundige dag koos ik heel bewust voor de toonsoort D-majeur. In mijn eigen handboek, Règles de composition, heb ik die toonsoort namelijk omschreven als vrolijk en heel strijdlustig. Van mijn vier bewaard gebleven zettingen van het Te Deum is dit exemplaar, dat later het catalogusnummer H. 146 kreeg, bovendien de enige waarin ik trompetten en pauken heb voorgeschreven. Als je eenmaal besluit om een overwinning te vieren, kun je het tenslotte maar beter meteen goed aanpakken.

De zangers mogen nog even wachten

Sommige mensen denken dat het hele werk alleen voor instrumenten is geschreven, maar dat geldt eigenlijk alleen voor deze korte opening. Voor het volledige stuk van ongeveer vijfentwintig minuten heb ik namelijk ook acht zangsolisten en een gemengd koor klaargezet. Tijdens de Marche en rondeau aan het begin houden zij hun mond nog even dicht en laten ze het werk over aan de strijkers, fluiten, hobo's, trompet, pauken en de basso continuo. Zie mijn instrumentale opening maar als het muzikale equivalent van een rode loper die rustig wordt uitgerold voordat het koor aan de Latijnse tekst begint.

Niet van mijn grote rivaal

Er doet trouwens een hardnekkig gerucht de ronde dat mijn tijdgenoot en rivaal Jean-Baptiste Lully deze beroemde melodie zou hebben geschreven. Hij componeerde in 1677 inderdaad zijn eigen Te Deum, maar mijn Te Deum Prelude komt toch echt helemaal uit mijn eigen koker. Ik heb mijn handgeschreven partituur destijds netjes bewaard in deel 10, schrift 62 van mijn Meslanges autographes, dat tegenwoordig veilig in de Bibliothèque nationale de France in Parijs ligt. Het zou tenslotte eeuwig zonde zijn als een ander met de eer gaat strijken voor mijn bekendste deuntje.

Tweeënhalve eeuw onder het stof

Na mijn dood in 1704 raakte het stuk eeuwenlang in de vergetelheid en lag mijn handschrift rustig te wachten in het archief. Pas in 1953 haalde de Franse musicoloog Carl de Nys het manuscript weer onder het stof vandaan. Datzelfde jaar maakte dirigent Louis Martini meteen de allereerste moderne opname voor het Franse platenlabel Erato, samen met het Orchestre de Chambre des Concerts Pasdeloup en de Chorale des Jeunesses Musicales de France. Na een dutje van tweeënhalve eeuw mocht mijn feestmars eindelijk weer eens de benen strekken.

Tussen de narcissen op televisie

Het duurde na die herontdekking nog geen jaar voordat mijn muziek een heel nieuw leven kreeg waar ik in de zeventiende eeuw nooit van had kunnen dromen. In 1954 koos de European Broadcasting Union de eerste acht maten, in een bewerking van Guy Lambert, als de vaste herkenningsmelodie voor hun televisienetwerk Eurovision. Op 6 juni 1954 klonk mijn mars voor het eerst rechtstreeks op de buis tijdens een uitzending vanaf het Fête des Narcisses in Montreux. Sindsdien heeft het stuk bijnamen als het Eurovision Anthem en het Eurovision Theme gekregen, omdat het voor grote internationale uitzendingen zoals het Nieuwjaarsconcert vanuit Wenen klinkt.

Eindelijk een net boekje en een nummer

Grappig genoeg was mijn melodie al jaren op de televisie te horen voordat er een moderne gedrukte uitgave van de bladmuziek in de winkel lag. Pas in 1957 bezorgde Walter Kolneder de eerste moderne gedrukte editie van de partituur bij uitgeverij Universal Edition in Wenen. Het handige nummer H. 146 achter de titel liet nog langer op zich wachten en kreeg ik pas in 1982, toen de Amerikaanse musicoloog Hugh Wiley Hitchcock een grote catalogus van al mijn werken maakte. Zo zie je maar dat een componist zelfs eeuwen na zijn laatste noot nog netjes geordend kan worden.
---
Ik hoop dat je met plezier bent teruggedoken in de ontstaansgeschiedenis van mijn Te Deum Prelude. Natuurlijk valt er naast mijn leven in het zeventiende-eeuwse Parijs nog veel meer aan Te Deum Prelude te ontdekken, zeker als je goed naar de muziek zelf luistert. Klik daarom gerust op een van de andere links op deze pagina om nog verder in Te Deum Prelude te duiken.