Plechtig in de pas met Chopins Funeral March
De achtergrond

Piano Sonata No. 2 in B-flat minor, Op. 35

Chopin vertelt de achtergrond van zijn Funeral March
Ik ben Chopin, en hier vertel ik je het verhaal achter het ontstaan van mijn Funeral March. Je komt te weten waarom ik eerst deze sombere mars op papier zette en daar pas twee jaar later een volledige pianosonate omheen bouwde. Daarnaast leren ik en de andere componisten je op deze site om onze stukken direct te herkennen wanneer ze voorbijkomen, dus  probeer dat gerust eens uit .
---

Eerst het dak, dan pas het huis

De meeste mensen denken dat mijn Funeral March een los muziekstuk is, maar eigenlijk vormt die Marche funèbre het derde deel van mijn Piano Sonata No. 2 in B-flat minor, Op. 35. Ik begon alleen nogal achterstevoren aan dat grote werk, want deze treurmars zette ik in 1837 in Parijs al op papier, twee jaar voor ik aan de rest van de sonate toe kwam. Het is een beetje alsof je eerst een loodzware voordeur timmert en pas jaren later besluit om er ook nog maar een huis omheen te metselen. Niemand had mij trouwens om dit stuk gevraagd en ik heb het bij de uitgave ook aan niemand opgedragen, omdat ik deze muziek puur voor mezelf moest schrijven.

Heimwee op de kalender

Dat ik in 1837 in zo'n sombere bui was, had alles te maken met mijn afnemende gezondheid en de gedachte aan mijn vaderland. Op het handschrift van het zachte middengedeelte staat de datum 28 november 1837, precies de vooravond waarop wij de Poolse Novemberopstand van 1830 herdachten. Veel kenners denken daarom dat ik met die noten rouwde om mijn gevallen landgenoten, al heb ik er zelf nooit een officiële uitleg bij geschreven. Voor mij zegt een piano in zijn eentje nu eenmaal veel meer dan een heel boekwerk vol grote woorden.

Een ellendige winter op een eiland

Voordat ik de rest van de sonate om die mars heen kon bouwen, sleepte ik mezelf eerst nog door een beroerde tijd. Ik bracht van 1838 op 1839 samen met de schrijfster George Sand een barre winter door op Majorca, waar mijn gezondheid me behoorlijk in de steek liet. Wie bij zo'n eiland meteen denkt aan een zonnige vakantie, is duidelijk nog nooit met mijn zwakke gestel in een vochtige winterbui beland. Tijdens die zware maanden bleef die ene treurmars uit Parijs in mijn koffer wachten tot ik weer genoeg adem had voor het vervolg.

Eindelijk rust op het Franse platteland

Pas in de zomer van 1839 knapte ik weer een beetje op toen ik logeerde op het landgoed van George Sand in het Franse Nohant. Daar op het stille platteland kreeg ik eindelijk de geest om de overige drie delen van de sonate rond mijn al bestaande mars te componeren. Ik pakte er flink mee uit: een onstuimig openingsdeel, een scherp Scherzo en tot slot een vliegensvlug Finale: Presto dat als een koude wind over een verlaten veld jaagt. Zo kreeg mijn eenzame mars na twee jaar wachten eindelijk het gezelschap waar hij al die tijd om vroeg.

Een voorproefje in de huiskamer

Toen alle vier de delen in de herfst van 1839 klaar waren, hield ik die niet meteen voor een grote zaal vol onbekenden. Ik gaf namelijk zelden openbare concerten met mijn grote sonates, dus wie en waar de allereerste openbare uitvoering heeft gespeeld is zelfs nooit precies vastgelegd. Wel schoof ik in oktober 1839 in Parijs achter de toetsen voor een besloten voorspeelavond bij mijn collega-pianist en componist Ignaz Moscheles. In zo'n rustige kamer komen de donkere klanken van de solo-piano voor mij veel beter tot hun recht dan in een galmend theater.

Vier onhandelbare kinderen

In mei 1840 verscheen de volledige sonate voor het eerst in druk, tegelijk bij Breitkopf & Härtel in Leipzig, Troupenas in Parijs en Wessel in Londen. Het gewone publiek sloot het stuk meteen in zijn hart, maar sommige recensenten wisten niet goed wat ze met mijn ongewone opbouw aan moesten. Mijn collega Robert Schumann mopperde bijvoorbeeld dat ik met deze vier delen simpelweg vier van mijn meest roekeloze kinderen bij elkaar had gebonden. Dat vond ik stiekem best een aardige omschrijving, want een beetje tegendraadsheid houdt de boel tenminste levendig.

Mijn allereerste poging tot treuren

Mensen doen soms alsof de Marche funèbre uit Op. 35 de enige treurmars is die ik ooit heb geschreven, maar ik had al eerder geoefend met het genre. Tussen 1826 en 1827, toen ik nog veel jonger was, componeerde ik namelijk al een heel andere Funeral March in c-klein. Dat vroege stuk is tijdens mijn leven niet eens uitgegeven en kreeg pas na mijn dood het nummer Op. 72, No. 2 opgeplakt. Je kunt het zien als een eerste schets in mineur, lang voordat ik in Parijs de versie schreef die iedereen nu kent.

Geen blaaskapel van mij

Er bestaat nog een hardnekkig misverstand over mijn beroemde mars, namelijk dat ik hem voor een groot orkest of een fanfare zou hebben bedacht. Ik heb echt elke noot puur voor de solo-piano geschreven, zonder trompetten, trommels of die Engelse schoolpleinrijmpjes die kinderen er later op gingen zingen. Andere componisten zoals Edward Elgar en Henry Wood konden de verleiding later alleen niet weerstaan om mijn pianopartij alsnog voor een compleet orkest te bewerken. Zelf hield ik het liever bij mijn eigen tien vingers op het ivoor, want daarmee kun je al genoeg kabaal en stilte tegelijk maken.

Muziek op mijn eigen uitvaart

Toch kwam zo'n orkestversie al heel snel van pas op een moment waar ik zelf weinig meer over te zeggen had. Toen ik in 1849 in Parijs werd begraven op de begraafplaats Père Lachaise, klonk mijn eigen Marche funèbre terwijl ik naar mijn laatste rustplaats werd gedragen. Voor die gelegenheid had Napoléon Henri Reber het stuk speciaal voor orkest bewerkt, zodat de klanken buiten in de open lucht goed te horen waren. Het is een vreemde gedachte dat je jaren eerder aan je bureau eigenlijk al de muziek voor je eigen afscheid hebt zitten schrijven.

De vaste klank van staatsbegrafenissen

Na mijn eigen uitvaart op Père Lachaise is mijn mars eigenlijk nooit meer weggeweest bij grote afscheidsplechtigheden over de hele wereld. Zo werd de muziek gespeeld bij de staatsbegrafenissen van wereldleiders als John F. Kennedy, Winston Churchill en Leonid Brezhnev. Ook veel later, bij het laatste afscheid van Margaret Thatcher en van Queen Elizabeth II, klonken mijn langzame akkoorden weer door de straten. Voor een stuk dat ooit op een sombere dag in 1837 op een eenzame piano in Parijs begon, heeft het dus een behoorlijk indrukwekkende reis afgelegd.
---
Hopelijk vond je het mooi om te lezen hoe mijn Funeral March destijds tot stand is gekomen. Er valt alleen nog veel meer te vertellen over dit stuk, zoals wat er nou precies gebeurt in de muziek zelf. Klik daarom gerust op een van de links op deze pagina als je nog wat verder in mijn Funeral March wilt duiken.