DIE ZAUBERFLÖTE VAN MOZART
DE ACHTERGROND

Die Zauberflöte, K. 620, opera in two acts (1791)

Mozart vertelt de achtergrond van zijn Die Zauberflöte
Hallo, ik ben Mozart, en ik vertel je graag het verhaal achter Die Zauberflöte. Ben je benieuwd hoe dit werk, dat ik in mijn laatste levensjaar schreef, eigenlijk is ontstaan? Ik ben er om je stap voor stap door die geschiedenis heen te leiden, van de eerste plannen tot de avond waarop het publiek het voor het eerst hoorde. Als ik klaar ben met mijn verhaal, geef ik je nog een paar manieren om Die Zauberflöte zelf verder te ontdekken.
---

Mijn laatste opera, al wist ik dat nog niet

Die Zauberflöte schreef ik in 1791, het laatste jaar van mijn leven, en het werd ook mijn laatste opera. Het is een Singspiel, een Duitstalige komische opera waarin gezongen nummers worden afgewisseld met gesproken tekst. Dat is prettig als een personage even iets praktisch moet zeggen, want zo hoeft niet elke opmerking over het avondeten een aria te worden. Het verhaal loopt daardoor bijna als een toneelstuk, met muziek op de momenten waar die er echt toe doet.

Een lege portemonnee en een volle theaterzaal

Ik schreef dit werk terwijl ik in ernstige geldnood zat. Een opdracht kwam dus als geroepen, en die kreeg ik van Emanuel Schikaneder. Hij schreef het libretto, dus alle woorden die gezongen worden komen van hem. Hij was bovendien een man van het theater in hart en nieren, en bij zo iemand weet je dat een saaie avond niet op het programma staat.

Niet in het paleis, maar in de buitenwijk

Schikaneder had een eigen theater, het Theater auf der Wieden, in een buitenwijk van Wenen. Het was een populair theater, waar gewone Wenaren kwamen kijken en niet de mensen van het hof. Ik schreef de opera dan ook voor een breed publiek en niet voor aristocratische zalen. Dat gaf me de vrijheid om grappen, sprookjesachtige wonderen en echt ontroerende muziek in één avond te stoppen.

Twee vrijmetselaars met een plan

Schikaneder en ik waren allebei vrijmetselaar, en dat laat sporen na in de opera. Je vindt er ideeën en beelden in die uit die wereld komen, en het getal drie keert er steeds in terug: drie dames, drie jongens. Hoeveel van het verhaal precies een verwijzing naar vrijmetselaarsrituelen is, daarover zijn kenners het nog steeds niet eens. Ik laat dat graag open, want een opera met een raadsel erin blijft langer leuk.

Een sprookje met veel ouders

Het verhaal komt niet van één bron, want er zit ook volksverhaal in en het is dus niet alleen vrijmetselarij. Het speelt zich af in een magisch land waarvan de naam nergens wordt genoemd. Je hoeft dus geen kaart bij de hand te hebben om mee te kunnen doen. Wie hier de weg kwijt raakt, zit gewoon op de juiste plek in het sprookje.

Wie is hier eigenlijk de schurk?

Prins Tamino krijgt van de Koningin van de Nacht de opdracht om haar dochter Pamina te redden uit handen van Sarastro. Onderweg krijgt hij een toverfluit, en de vogelvanger Papageno krijgt een stel toverklokjes, en die helpen hen door allerlei beproevingen heen. Het klinkt als een duidelijk verhaal met een goede kant en een slechte kant. Maar let goed op wie je vertrouwt, want ik heb niet alles zo neergezet als het eerst lijkt.

De première: ik sta zelf voor het orkest

De eerste voorstelling was op 30 september 1791 in het theater van Schikaneder, en het was meteen een succes. Ik dirigeerde zelf, en Schikaneder stond als Papageno op het toneel. Benedikt Schack zong Tamino en Anna Gottlieb zong Pamina, de twee geliefden in het verhaal. Franz Xaver Gerl nam Sarastro voor zijn rekening, een rol voor een bas, de diepste mannenstem, die Sarastro zijn gezag geeft.

De Koningin van de Nacht zat in de familie

De Koningin van de Nacht werd bij de eerste voorstellingen gezongen door Josepha Hofer, mijn schoonzus. Ik schreef die rol voor een coloratuursopraan, en ze moet in Der Hölle Rache twee octaven overbruggen, van F4 tot F6. Hofer was toen 32, en ze moest die hoogte elke avond opnieuw halen terwijl het publiek gespannen toekeek. Zo'n partij schrijf je alleen voor iemand die je goed kent, want vreemden zou ik het niet aandurven.

Een lang applaus en een stil einde

Twee maanden na de première, op 5 december 1791, overleed ik, op 35-jarige leeftijd. Het verhaal gaat dat ik op mijn sterfbed mijn vrouw nog vroeg te luisteren naar Hofer in die aria van de Koningin, maar of dat echt zo is gebeurd, weet niemand zeker. Schikaneder gaf later een benefietvoorstelling om mijn weduwe Constanze te helpen. De opera zelf kreeg in de jaren 1790 honderden voorstellingen en behoort nog altijd tot de meest gespeelde opera's ter wereld.
---
Zo kom ik aan het einde van het verhaal achter Die Zauberflöte. Ik schreef deze opera in 1791, het jaar waarin ik overleed, en als ik er nu op terugkijk, voel ik vooral dankbaarheid dat dit mijn laatste opera is geworden. Het is een sprookje met een dubbele bodem geworden, waarin humor en ernst elkaar de hand reiken. Ik schreef het voor een breed publiek, voor mensen die gewoon een mooie avond wilden beleven, en juist daarom ben ik er zo blij mee dat het nog altijd zoveel luisteraars aanspreekt. Heb je het leuk gevonden om meer over de achtergrond van Die Zauberflöte te lezen? Ik hoop dat je er iets in hebt gevonden waardoor je de muziek nu met andere oren beluistert. Er valt namelijk nog veel meer te ontdekken, zoals de personages, de aria's en de manier waarop het verhaal zich langzaam ontvouwt. Klik gerust op de links hieronder als je verder wilt luisteren en lezen over Die Zauberflöte. Misschien hoor je dan nog iets wat je de eerste keer niet opviel.