Rokken omhoog bij Offenbachs Can-Can (from Orpheus in the Underworld)
De achtergrond

Galop infernal

Offenbach vertelt de achtergrond van zijn Can-Can (from Orpheus in the Underworld)
Ik ben Jacques Offenbach, en dit is het verhaal achter de Can-Can (uit Orpheus in the Underworld). Je leest hoe een piepklein theater aan de Champs-Élysées en een regel die in 1858 verdween de weg vrijmaakten voor een finale waar Parijs maar geen genoeg van kreeg. Op deze site leren we, mijn vakgenoten en ik, je ook onze stukken herkennen zodra ze klinken, dus probeer het gerust  in de Trainer .
---

Een zaaltje als een grote huiskamer

In juli 1855 opende ik mijn theatergezelschap in een klein gebouw aan de Champs-Élysées, waar hooguit driehonderd mensen in pasten. Ik was in Keulen geboren en probeerde in Parijs de mensen aan het lachen te maken, en dat lukte beter dan ik had durven hopen. Alleen waren de regels streng, want er mochten maar weinig artiesten tegelijk op het toneel staan. Voor een componist met grote plannen voelde dat als koken voor een bruiloft in een caravankeuken.

De regels worden ruimer

In 1858 verdwenen de beperkingen op het aantal optredende artiesten, en ik greep die kans meteen aan. Zo kwam ik tot mijn eerste avondvullende operette, met maar liefst twintig hoofdrollen. Op 21 oktober 1858 ging Orphée aux enfers in première in het Théâtre des Bouffes-Parisiens, en ik was toen negenendertig. Ik herinner me vooral de spanning in de zaal, want niemand wist of het publiek om de goden zou lachen of er juist boos om zou worden.

Een beetje wraak in de vorm van muziek

Het verhaal van Orpheus en Eurydice was in de schouwburg een zwaarwichtige legende, en ik wilde er juist een vrolijke parodie van maken. Naar men zegt had ik nog een appeltje te schillen met de Comédie-Française, waar ik al die plechtige mythologie had moeten aanhoren. Mijn goden zijn daarom niet verheven maar ijdel, jaloers en een beetje lui. Het is een prettig soort wraak, want die verpakt je in melodieën waar niemand kwaad op kan blijven.

De criticus die me aan publiek hielp

De criticus Jules Janin vond mijn opera oneerbiedig en zelfs godslasterlijk, en hij zei dat ook luid en duidelijk. Dat had een effect waar hij vast niet op rekende, want wie zoiets leest, wil het meteen met eigen ogen zien. De ophef trok dus grote groepen nieuwsgierigen naar mijn kleine theater. Ik heb hem nooit bedankt, maar ik heb hem wel vaak in gedachten een bloemetje gestuurd.

Goden met een opvallend bekend gezicht

Veel toeschouwers dachten dat de goden op de Olympus verdacht veel leken op het hof van keizer Napoleon III. Je zou denken dat de keizer daar niet blij mee was, maar in 1860 zat hij gewoon in de zaal bij een voorstelling op zijn eigen verzoek. In dezelfde tijd, begin 1860, verleende hij mij persoonlijk het Franse staatsburgerschap. Ik vond het een mooi bewijs dat een goede grap soms ook door de lachwekkende zelf kan worden gewaardeerd.

Honderd avonden was al een succes

In die tijd gold een reeks van honderd voorstellingen als een prima resultaat voor een stuk. Mijn opera haalde in 1858 er maar liefst tweehonderdachtentwintig. De zaal bleef maar vollopen, en ik hoefde me van het tellen niet eens meer bewust te zijn. Dat zo'n kleine bühne zo'n grote hit kon leveren, had ik zelf het minst verwacht.

Eerst klein, later met een militaire kapel

Mijn orkest van 1858 was bescheiden, ongeveer dertig spelers, met onder meer fluiten, klarinetten, hoorns, cornets en een trombone. In 1874 maakte ik een grotere versie in vier bedrijven, en daarin staat de Galop infernal in het vierde. Toen speelden er ongeveer zestig muzikanten mee, plus een militaire kapel van veertig man. Die uitvoering liep in het Théâtre de la Gaîté nog eens tweehonderdnegentig keer, dus de melodie kon het ook met een flinke bezetting aan.

De can-can kwam later aanwaaien

Eerlijk gezegd weet niemand zeker of er in 1858 al een can-can op mijn toneel werd gedanst. Een galop is eigenlijk een andere dans, en de koppeling met de can-can is pas later ontstaan. Pas in de jaren 1890 namen de Moulin Rouge en de Folies Bergère mijn Galop over als muziek voor hun danseressen. Sindsdien hoort iedereen bij deze melodie vanzelf wapperende rokken, ook al had ik daar zelf nooit aan gedacht.

Een schildpad op mijn melodie

Saint-Saëns vond mijn Galop zo bekend dat hij hem gebruikte in het deel "Tortoises" van zijn Carnival of the Animals. Daar spelen de strijkers hem in een traag, loom tempo, alsof de melodie een heel lange dag achter de rug heeft. Hij schreef dat werk voor een besloten kring en liet het op 3 maart 1886 privé uitvoeren. Het publiek kreeg het pas op 25 februari 1922 te horen, dus ik had mijn eigen melodie nog niet op een schildpad zien rijden.

Die beroemde ouverture is niet van mij

Veel mensen denken dat de bekende ouverture van Orphée aux enfers door mij is geschreven, maar dat klopt niet. Carl Binder maakte die bewerking voor de productie in Wenen in 1860. Mijn eigen Galop staat in A groot, net als twee andere nummers uit het tweede bedrijf, en dat geeft die avond een stralende kleur. Wie dus denkt dat hij de hele opera kent omdat hij die ouverture kent, heeft nog een flink stuk muziek te goed.
---
Zo, nu heb je gehoord waar mijn Can-Can vandaan komt, van dat kleine theater aan de Champs-Élysées tot de première van Orphée aux enfers in 1858. Ik hoop dat je het net zo leuk vond om die achtergrond te leren kennen als ik het vond om hem te vertellen. Heb je genoten van het verhaal achter de Can-Can uit Orpheus in the Underworld? Het mooie is dat dit stuk nog veel meer te bieden heeft dan wat ik hier kwijt kon. Als je er goed naar luistert, hoor je steeds nieuwe kleine dingen, en ook de weg die de melodie in de eeuwen daarna heeft afgelegd is een verhaal apart. Neem gerust de tijd om verder te kijken, en klik op de links die je hier vindt om de Can-Can nog wat beter te leren kennen. Misschien herken je de melodie de volgende keer al na de eerste maten, en dan denk je hopelijk even terug aan die drukke zaal van toen.