Rokken omhoog bij Offenbachs Can-Can (from Orpheus in the Underworld)
De luistergids

Galop infernal

Offenbach presenteert een luistergids bij zijn Can-Can (from Orpheus in the Underworld)
Ik ben Jacques Offenbach, en dit is de luistergids bij de Can-Can (uit Orpheus in the Underworld). Je hoort hoe een orkest van maar zo'n dertig spelers in 1858 een galop liet losbarsten die je daarna niet meer kwijtraakt. Hier op de site leren mijn vakgenoten en ik je onze stukken herkennen zodra je ze hoort, dus  probeer de Trainer  maar eens uit.
---

Zo luister je mee zonder diploma

Luister eerst naar de strijkers, want zij dragen het grootste deel van de melodie en houden de hele galop aan het rennen. Daarboven hoor je de fluiten en de piccolo, die er schelle, hoge streepjes op zetten, een beetje zoals confetti boven een feestende menigte. Let daarna op de cornets en de trombone, die de maat flink aanzetten, en op de pauken en het slagwerk, die elke stap van de melodie extra onderstrepen. In 1858 had ik maar een man of dertig in het orkest, dus je hoort geen enorm orkest maar een kleine, bijzonder vastberaden groep die geen seconde stilzit.

Een titel met twee gezichten

Officieel heet dit stuk Galop infernal, en dat past bij de plek waar het hoort: de finale van het tweede bedrijf van mijn operette, waar de goden in de onderwereld uitgelaten tekeergaan. Dat iedereen het nu de Can-Can noemt, heb ik zelf niet bedacht, want pas in de jaren 1890 namen het Moulin Rouge en de Folies Bergère de melodie over voor hun dansnummers. Een galop is eigenlijk een heel andere dans, dus die naam is er door de gewoonte van het publiek aan blijven plakken. Of er in 1858 al gedanst werd zoals je dat nu kent, weet niemand zeker, en daarom hou ik het bij wat ik wel weet: de muziek zelf komt van mij.

Geen sonate, geen rondo, gewoon doorrennen

De vorm kiezen was een avontuur op zich, want ik wilde geen strenge sonate en ook geen deftig rondo, maar iets wat een toneel vol dansende goden in beweging houdt. Het werd een galop: een aaneenschakeling van korte, levendige melodieën die elkaar bijna op de hielen zitten. De grondtoon is A majeur, net als bij twee andere nummers uit datzelfde tweede bedrijf, dus je oor blijft het hele stuk op bekend terrein. Ik loop met je vier delen langs, en je zult merken dat ze elk hun eigen karakter hebben, dus ik neem ze nu één voor één met je door.

Deel 1: De bel die niemand overhoort

Het stuk opent met een korte, opgewekte aanloop die je aandacht grijpt voordat je goed en wel bent gaan zitten. Het tempo is vanaf de eerste maat snel, want een galop kent geen rustig inloopmoment. De stemming is die van een zaal waar de kaarsen net zijn aangestoken en iedereen al voelt dat er iets gaat gebeuren. Ik laat hier nog niet alles los, zodat het publiek de spanning even kan proeven voordat de echte melodie komt.

Deel 2: De melodie die iedereen al kent

Nu volgt de melodie die je waarschijnlijk al kende voordat je wist wie ik was, springerig en vrolijk, met de strijkers voorop. De sfeer is ondeugend en zelfverzekerd, alsof de goden zich allang niet meer druk maken om wat de buren van hun feest vinden. Later heeft Saint-Saëns dit thema geleend voor zijn Carnival of the Animals, in het deel over de schildpadden, waar de strijkers het in een loom, hangend tempo spelen. Als je die twee versies naast elkaar zet, hoor je meteen hoeveel van deze melodie afhangt van snelheid: dezelfde noten, maar ineens loopt niemand meer haast te maken.

Deel 3: Niemand mag even zitten

In het middenstuk keert de melodie telkens terug in nieuwe kleuren, en het tempo zakt geen moment in. Het orkest wisselt van plek in het geluid: nu eens horen de hoge instrumenten het voortouw, dan weer nemen de strijkers het over. Daardoor lijkt de muziek steeds sneller te worden, ook al verandert de snelheid zelf nauwelijks. De stemming verschuift van ondeugend naar bijna uitgelaten, en je merkt dat de dansers nergens meer rekening mee houden.

Deel 4: Een finale zonder rem

In het laatste deel gooi ik alles in de strijd: het hele orkest speelt luid en vol, en de pauken en het slagwerk drukken het geheel naar voren. Het tempo blijft hoog, en de energie loopt nog verder op, alsof het feest pas nu echt op gang komt. Het slot is stevig en stellig, zodat het publiek geen enkele twijfel heeft dat de avond voorbij is. Als de laatste akkoorden vallen, klinkt het alsof iedereen op het toneel tegelijk buiten adem is, en dat was precies de bedoeling.

Nu is het jouw beurt

Ik nodig je graag uit om de Can-Can zelf te beleven: druk op play en laat je meevoeren door de muziek. Denk onderweg aan wat we hebben besproken, aan de strijkers die rennen, de titel met zijn twee gezichten en de vier delen die elkaar opjagen. Toen de criticus Jules Janin mijn operette godslasterlijk noemde, stroomden de zalen juist vol, en het werk haalde in 1858 maar liefst 228 voorstellingen, terwijl honderd al een succes heette. Ik hoop dat je de reis door mijn Can-Can net zo opwindend vindt als ik die vond toen ik hem schreef.
---
Ik hoop dat je er plezier aan hebt beleefd om samen met mij de Can-Can uit Orpheus in the Underworld te beluisteren. Misschien hoor je de Galop infernal nu anders dan voorheen, omdat je weet hoe hij bedoeld was: als uitgelaten slot van een operette die niet bang was voor grote goden. Toch is dit nog lang niet alles, want er valt veel meer te ontdekken over de Can-Can, bijvoorbeeld hoe een melodie uit 1858 later een eigen leven ging leiden. Klik gerust op de links hieronder om verder te ontdekken wat deze muziek nog meer te vertellen heeft. Ik ben benieuwd wat jij de volgende keer hoort wanneer die eerste noten weer opspringen.