Duivels vingerwerk op viool in Caprice No 24 van Paganini
De achtergrond

Caprice No. 24 in A minor, Op. 1, No. 24, MS 25

Paganini vertelt de achtergrond van zijn Caprice No 24
Mijn naam is Paganini en vandaag vertel ik je het verhaal achter mijn Caprice No 24. Je komt erachter waarom ik deze solostudie speciaal voor vakgenoten op papier zette en niet voor een veeleisende vorst aan het hof. Samen met mijn collega-componisten leer ik je op deze site trouwens ook om onze muziek bij het luisteren vlot te herkennen, dus  doe gerust eens mee .
---

Vijfentwintig jaar op een zolderkamer, of bijna

Tussen 1802 en 1817 heb ik in Italië in alle rust aan mijn 24 Caprices gewerkt. Ik deelde het werk op in drie overzichtelijke stapeltjes van zeven, vijf en twaalf stukken, net zoals je een grote voorjaarsschoonmaak ook niet op één enkele dinsdagmiddag afhandelt. In welk jaar ik het sluitstuk, Caprice No 24, precies op papier heb gezet, weet eerlijk gezegd niemand meer. Wel woonde ik van 1805 tot 1809 een tijdje in Lucca, waar ik als hofviolist en muziekdirecteur werkte voor Felice Baciocchi en Napoleons zus Elisa Bonaparte.

Geen koninklijk verzoeknummer

Toch heb ik deze stukken niet geschreven omdat een hertog of prinses iets gezelligs wilde horen tijdens het diner. Het waren voor mij vooral technische studies om te onderzoeken wat je allemaal uit een viool kunt halen als je geen enkele medelijden hebt met je eigen vingers. Bij de uitgave droeg ik de hele reeks daarom breeduit op met de woorden Alli Artisti, oftewel aan de kunstenaars. Dat klonk een stuk vriendelijker dan een waarschuwing vooraf dat de gemiddelde collega er flinke spierpijn aan over zou houden.

Een postume groet van mezelf

Jaren later, ergens tussen 1832 en 1840, pakte ik mijn eigen exemplaar van de bladmuziek er weer eens bij om boven elk stuk alsnog een persoonlijke naam te zetten. De eerste drieëntwintig deelde ik netjes uit aan anderen, maar bij Caprice No 24 besloot ik dat ik zelf de enige geschikte kandidaat was. Ik schreef er met wat galgenhumor boven dat het stuk was opgedragen aan Nicolò Paganini, helaas begraven. Als je dan toch je eigen grafschrift moet bedenken, kun je dat maar beter doen boven je allerlaatste en lastigste caprice.

Uitgegeven en meteen vervloekt

De meeste van mijn vioolconcerten hield ik tijdens mijn leven zorgvuldig achter slot en grendel, zodat niemand mijn kneepjes kon afkijken. Deze verzameling liet ik in 1820 echter gewoon drukken in Milaan bij uitgever Giovanni Ricordi, als mijn Op. 1. Veel violisten keken één keer naar dat papier vol zwarte noten en riepen direct dat dit voor een normaal mens met tien vingers onmogelijk uit te voeren was. Zelf speelde ik ze trouwens ook zelden in het openbaar, waardoor niemand meer weet waar, wanneer en door wie Caprice No 24 voor het eerst tijdens een concert is gespeeld.

Duivelse roddels

Omdat ik op het podium dingen deed die anderen niet voor mogelijk hielden en er bovendien nogal mager en bleek uitzag, begonnen de geruchten vanzelf te lopen. Al snel beweerden mensen met een stalen gezicht dat ik mijn ziel aan de duivel had verkocht in ruil voor mijn viooltechniek. Dat leverde mij de bijnaam The Devil's Violinist op, al kan ik je verzekeren dat er geen zwavel aan te pas kwam, maar gewoon eindeloos veel uren oefenen. Mensen verzinnen nu eenmaal liever een spannend spookverhaal dan dat ze toegeven dat iemand simpelweg heel hard heeft zitten studeren.

Geen wiskundig schema

Soms denken luisteraars dat ik met mijn 24 Caprices netjes alle vierentwintig majeur- en mineurtoonsoorten ben afgegaan, zoals een postbode die geen enkel huis in de straat overslaat. Dat hebben andere componisten in hun reeksen inderdaad weleens gedaan, maar ik koos gewoon de toonsoorten die goed onder mijn vingers lagen. Verschillende toonsoorten komen daardoor dubbel voor, en Caprice No 24 staat net als twee eerdere stukken uit de bundel gewoon in A mineur. Pas helemaal aan het einde, in de finale, laat ik de wolken even optrekken en schakel ik over naar het heldere A majeur.

Gymnastiek op vier snaren

De opbouw van dit laatste stuk is eigenlijk heel overzichtelijk: een kort thema in tweekwartsmaat met de aanwijzing Quasi presto, gevolgd door elf variaties en een doorlopende finale. Ik gebruik die variaties om zo'n beetje elke denkbare hindernis voor een onbegeleide viool één voor één af te vinken. Je moet razendsnelle toonladders en gebroken akkoorden spelen, grote sprongen maken in octaven en decimen, en soms twee of drie snaren tegelijk aanstrijken. Het heeft op papier niet eens een echte bijnaam gekregen, dus noemt iedereen het maar gewoon het Thema of Tema con variazioni.

Hulp van de romantische collega's

Terwijl veel violisten nog zuchtend naar hun instrument staarden, doken componisten als Franz Liszt en Robert Schumann juist vol enthousiasme op mijn bundel. Zij zagen er iets heel nieuws in en bestudeerden mijn bladzijden alsof het een schatkaart was voor hun eigen muziek. Robert Schumann vond het blijkbaar wel wat eenzaam klinken met maar één viool, want hij schreef er later een complete pianobegeleiding bij om de stukken toegankelijker te maken voor het publiek. Ook de violist Ferdinand David hielp een handje mee door een grote bewerkte uitgave van de verzameling te publiceren.

Mijn melodie op de piano

Het grappige is dat mijn simpele beginmelodie al snel een heel eigen leven ging leiden buiten mijn vioolkoffer. Franz Liszt nam het deuntje onder handen en maakte er de zesde studie van in zijn eigen reeks Grandes études de Paganini, S. 141. Daarna kwam Johannes Brahms, die mijn thema gebruikte als fundament voor zijn beroemde Variations on a Theme of Paganini, Op. 35. Het voelt toch een beetje alsof je een bescheiden stoofpotje op tafel zet en de buren er vervolgens een compleet banket omheen bouwen.

Een melodie die nooit met pensioen gaat

Ook lang na mijn tijd bleven componisten terugkomen naar die paar maten uit Caprice No 24 om te kijken wat zij ermee konden uithalen. Sergei Rachmaninoff bouwde er zijn meeslepende Rhapsody on a Theme of Paganini, Op. 43 voor piano en orkest op, en Witold Lutosławski schreef zijn eigen Variations on a Theme by Paganini. George Rochberg maakte het nog bonter en kwam zelfs aanzetten met 50 Caprice Variations op mijn oude melodie. Voor een oefenstukje waarvan we in de catalogus van Maria Rosa Moretti en Anna Sorrento onder nummer MS 25 niet eens het exacte geboortejaar weten, heeft het de wereld behoorlijk veroverd.
---
Vond je het leuk om te lezen hoe mijn Caprice No 24 destijds op papier is gekomen? Er valt over de muziek van Caprice No 24 en alles wat er later met mijn melodie is gebeurd nog veel meer te ontdekken. Klik gerust op de links hieronder om nog wat verder in Caprice No 24 te duiken.