Klapperende tanden bij Vivaldi's Violin Concerto No. 4 in F minor, RV 297, "Winter" (The Four Seasons)
I. Allegro non molto

Violin Concerto No. 4 in F minor, RV 297

Vivaldi presenteert een luistergids bij I. Allegro non molto uit zijn Violin Concerto No. 4 in F minor, RV 297, "Winter" (The Four Seasons)
Ik ben Antonio Vivaldi, en ik neem je mee door het eerste deel, het Allegro non molto. Je hoort hoe herhaalde noten en trillers de kou door het orkest laten gaan, tot de solist met snelle lopen de wind laat opsteken. Mijn collega-componisten en ik leren je op deze site ook om onze stukken te herkennen wanneer ze klinken, dus waag gerust een poging via  de Trainer .
---

Zo luister je zonder dikke jas

Ik geef je één tip mee: luister naar het gesprek tussen het hele orkest en die ene solist. Het orkest bestaat uit strijkers, eerste en tweede violen, altviolen, cello's en bassen, en het basso continuo vormt de stevige ondergrond waar alles op rust. Zodra het hele gezelschap tegelijk speelt, hoor je de kou als een gezamenlijk gevoel, en zodra de solovioliste of solist opduikt, wordt het een snelle, losse stem die er bovenuit vliegt. Volg het dus zoals je een gesprek volgt: het orkest zet de ijskoude kamer neer, en de solist loopt er rond en vertelt wat hij daar tegenkomt.

Een naam met de handrem erop

Allegro non molto betekent ongeveer 'vlug, maar niet al te veel', en die aanwijzing heb ik er met opzet boven gezet. Wie ooit in de vrieskou op de bus heeft staan wachten, weet dat je dan niet hard rent, maar gespannen op en neer wipt om warm te blijven. Precies zo'n opgewonden, ingehouden beweging wilde ik in de muziek hebben, dus het tempo is levendig zonder dat het ooit losbarst. De bijnaam Winter hoort daar natuurlijk bij, want het sonnet en de muziek schilderen allebei dat seizoen, en dit eerste deel laat je het meteen voelen.

Geen sonate, geen rondo, wel een ritornello

Het kiezen van de vorm voor dit deel was een avontuur op zich, en uiteindelijk ging ik voor de ritornelloveorm, die ik in mijn concerten graag gebruik. Het principe is eenvoudig: een stuk muziek komt steeds terug, en daartussen krijgt de solist ruimte om iets nieuws te vertellen. Het begint met een opening door het orkest in f-klein, die uitwijkt naar c-klein, daarna volgen drie solo-episodes die zich afwisselen met het terugkerende thema, en het geheel sluit af met een laatste ritornello in f-klein. Ik loop die onderdelen nu één voor één met je langs, zodat je precies weet waar je bent als de kou weer toeslaat.

Sectie 1: Het hele orkest klappertandt

Het eerste ritornello, de openingsmaten van het stuk, staat in f-klein en zet meteen de toon. Je hoort herhaalde noten en trillers die laten horen hoe iedereen staat te rillen van de kou. Halverwege wijkt de muziek uit naar c-klein, en dat voelt als een stap dieper de koude in, zonder dat er ook maar een zonnestraal doorbreekt. Het tempo blijft vlug maar bedwongen, en dat geeft die gespannen sfeer waarmee het hele deel begint.

Sectie 2: De wind komt binnen

Nu krijgt de solist voor het eerst het woord, en de sfeer verandert onmiddellijk. In plaats van het gezamenlijke rillen hoor je razendsnelle passages van heel korte noten, die de wind uitbeelden die langs je oren raast. Het is alsof het orkest een stap achteruit zet en de solist de kou laat zien zoals die buiten tekeergaat. Let op hoe het tempo gelijk blijft en toch drukker lijkt, omdat de noten zoveel sneller achter elkaar komen.

Sectie 3: Tanden, voeten en een thema dat blijft terugkomen

In het middendeel wisselen het orkest en de solist elkaar nog twee keer af, en het terugkerende thema herinnert je er steeds aan waar we zijn. In deze latere passages hoor je volgens mij de tanden klapperen en de voeten stampen, precies zoals de regels van het sonnet beschrijven. Elke solo klinkt net iets anders, dus je krijgt geen herhaling maar een winterbeeld dat steeds van kant wisselt. De toonsoorten blijven in dezelfde donkere hoek, en daardoor voelt het alsof je wel beweegt, maar nergens echt warm wordt.

Sectie 4: Terug in het donker

Het laatste ritornello brengt de muziek terug naar f-klein, de toonsoort waarmee we begonnen. Je hoort het thema van het begin nog één keer, dus de kou is niet weggegaan, we kennen haar alleen beter. Er komt geen opgelucht majeurslot dat alles goedmaakt, want ik wilde dat je met dat rillerige gevoel naar het volgende deel gaat. Dat Largo in Es-groot is dan ook een verademing, en juist door dit strakke einde voel je hoe fijn die warmte is.

Op de play-knop, jas aan

Nu is het jouw beurt: zet het eerste deel van mijn Winter op en laat de muziek gewoon over je heen komen. Denk onderweg aan wat we hebben besproken, zoals het orkest dat rilt, de solist die de wind speelt en het thema dat steeds terugkeert. Je hoeft niets te herkennen om ervan te genieten, maar hoe meer je hoort, hoe leuker het wordt. Ik hoop dat je dit stuk net zo spannend vindt als ik het vond toen ik het schreef.
---
Ik hoop dat je het leuk vond om samen met mij door deze luistergids van het eerste deel, Allegro non molto, uit Violin Concerto No. 4 in F minor, RV 297, "Winter" (The Four Seasons) te lopen. Als je nu terugdenkt aan die rillende herhaalde noten en de jagende wind van de solist, hoor je het openingsdeel waarschijnlijk met andere oren. Toch is er in dit concert nog veel meer te ontdekken dan alleen dit eerste deel. Het Largo met zijn zachte regen en het laatste deel met de gladde ijsvloer hebben allebei hun eigen verhaal, en ook het sonnet dat bij de muziek hoort is een rustig luisterdoel waard. Klik gerust op de links hieronder als je verder wilt kijken, want daar vind je meer over dit concert. Ik zou het fijn vinden als je de Winter daarna nog eens opzet, met een warme sjaal binnen handbereik.