TOCCATA AND FUGUE IN D MINOR VAN BACH
DE ACHTERGROND

Toccata and Fugue in D minor, BWV 565

Bach vertelt de achtergrond van zijn Toccata and Fugue in D Minor
Ik ben Johann Sebastian Bach, en ik wil jou het verhaal vertellen achter mijn Toccata and Fugue in D Minor. Ben je benieuwd hoe dit stuk ontstaan is, en waarom er na al die jaren nog steeds vragen over zijn? Ik ga met je mee als gids, zodat je stap voor stap kunt zien wat we wel weten en wat in nevelen gehuld blijft. Als ik het hele verhaal verteld heb, geef ik je daarna een paar manieren om het stuk zelf verder te verkennen.
---

Een stuk zonder afzender

Van de Toccata and Fugue in D Minor heb ik zelf geen handgeschreven versie nagelaten, en die ontbreekt nog steeds. Wat we hebben is een kopie van Johannes Ringk, en daar staat geen datum op. Het is dus een beetje als een brief zonder postzegel en zonder afzender, waarvan je alleen weet dat hij ergens is aangekomen. Daarom zit er rond dit stuk meer onzekerheid dan bij bijna alles wat ik geschreven heb.

Een jonge organist met veel te veel energie

In 1703 werd ik organist van de Nieuwe Kerk in Arnstadt, en ik was nog jong en wilde graag laten horen wat ik kon. Veel mensen vinden dat dit stuk daarbij past, want het klinkt ruig en vol branie, en de Bachvereniging noemt het zelfs een "clavier hussar"-stijl. Dat is wel een oordeel over hoe het klinkt en geen bewijs voor het jaar waarin ik het schreef. Wanneer precies, dat weet niemand, want de gissingen lopen uiteen van 1704 tot ver in de jaren 1750.

Een flink eind reizen voor een concert

In 1705 nam ik vier maanden verlof van Arnstadt om Dieterich Buxtehude in Lübeck te horen spelen. Dat is zo'n 450 kilometer heen, en dan moet je nog terug. Of dit stuk iets met die reis te maken heeft, kan niemand bewijzen, ook al zou het mooi in het verhaal passen. Ik vertel het dus vooral omdat het laat zien hoeveel die muziek mij waard was.

Arnstadt of Weimar, kies maar

Ook over de plek zijn de kenners het niet eens. Sommigen denken aan Arnstadt, anderen aan Weimar, waar ik in 1708 hoforganist werd. Later, in 1714, werd ik daar Konzertmeister, maar ook dat helpt niet om een jaartal vast te pinnen. Het blijft dus bij twee plaatsen en geen enkel bewijs, en ik laat je liever niet gokken dan dat ik een stad verzin.

Was het eerst een vioolstuk?

Er is ook een theorie dat ik dit stuk helemaal niet voor orgel bedacht heb. Volgens die gedachte zou het begonnen zijn als een verloren vioolstuk dat later voor orgel is omgezet. Daar is nooit overeenstemming over gekomen, en een bewijs is er niet. Je mag er dus gewoon van genieten zoals het nu klinkt, op een orgel, met alle registers open.

Een leerling van een leerling

Hoe is het dan toch bewaard gebleven? Johannes Ringk schreef het over, en hij was een leerling van Johann Peter Kellner, die weer mijn leerling was geweest. Zijn kopie ligt nu in Berlijn, in de collectie van het Pruisisch Cultureel Erfgoed. Wanneer hij die kopie maakte, staat ook niet vast: de ene bron noemt ergens tussen 1730 en 1740, de andere tussen 1740 en 1760.

Heb ik het eigenlijk wel zelf geschreven?

Dat vragen ook geleerden zich af, en niet zo zachtjes. Peter Williams twijfelde er in 1981 aan, en Rolf Dietrich Claus deed dat in 1995. Christoph Wolff vindt juist dat het van mij is, en het stuk staat nog steeds onder mijn naam in de catalogus als BWV 565. Ik laat de discussie graag aan hen over, want ik heb zelf niets op papier gezet dat het kan beslissen.

Niemand die erom vroeg

Het is ook niet zo dat het stuk in mijn eigen tijd beroemd was, want het bestaat in maar één kopie uit die tijd. Er is geen opdrachtgever bekend, geen opdracht en geen eerste uitvoering. In 1723 werd ik Thomaskantor in Leipzig, en die baan heb ik 27 jaar gehouden, met genoeg ander werk om me bezig te houden. Dit stuk ging dus lange tijd heel stilletjes zijn eigen weg.

Mendelssohn blaast het stof eraf

Na mijn dood is mijn muziek een tijd flink op de achtergrond geraakt. In 1829 bracht Felix Mendelssohn met de Matthäus-Passion een nieuwe belangstelling voor mijn werk op gang. Daarna kwamen er uitgaven, en in 1867 verscheen de Bach-Gesellschaft-editie, gevolgd door de Neue Bach-Ausgabe in 1964. Zo kwam ook dit stuk uit de la, en vanaf dat moment kon iedereen het kennen.

Van kerk naar film

Er zijn bewerkingen gemaakt voor orkest en voor andere bezettingen, onder anderen door Ferruccio Busoni en Marcel Dupré. Walt Disney gebruikte het in Fantasia, en het klinkt ook in The Phantom of the Opera. Zo kent bijna iedereen de eerste maten, ook mensen die nog nooit een kerk met een orgel van binnen hebben gezien. Dat een stuk waarvan ik niet eens zeker weet of ik het geschreven heb zo bekend zou worden, had ik nooit verwacht.
---

Tot slot

Zo, dat was het verhaal achter de Toccata and Fugue in D Minor, voor zover we het kennen. Het mooie is dat er na al die jaren nog zoveel open blijft: ik heb geen handschrift nagelaten, en over het waar en wanneer van dit stuk kunnen we eigenlijk alleen maar nadenken. Misschien is dat ook wel waarom het je blijft bezighouden, want een stuk dat een raadsel meedraagt, nodigt uit om er nog eens naar te luisteren. Heb je het leuk gevonden om te lezen hoe dit stuk zijn weg naar ons heeft gevonden? Er valt namelijk nog veel meer te ontdekken over de Toccata and Fugue in D Minor, bijvoorbeeld hoe verschillende musici het voor orkest hebben bewerkt en hoe het in films terecht is gekomen. Klik daarom gerust op de links hieronder, dan kun je zelf verder op onderzoek uitgaan. En als je het stuk straks weer opzet, let dan eens op die ene noot aan het begin en de stilte die erop volgt.