Lief vragen aan papa in O mio babbino caro van Puccini
De achtergrond

O mio babbino caro

Puccini vertelt de achtergrond van zijn O mio babbino caro
Hallo, ik ben Giacomo Puccini en ik vertel je hier de voorgeschiedenis van mijn aria O mio babbino caro. Je ontdekt hoe ik dit luchtige operamoment midden tijdens de Eerste Wereldoorlog in Toscane op papier zette, terwijl een wereldreis naar de première voor mij onmogelijk was. Wil je onze muziek trouwens meteen kunnen herkennen als je haar ergens hoort,  ga dan aan de slag  op deze site, waar ik je dat samen met mijn vakgenoten leer.
---

Een komedie uit de hel

Toen ik in 1917 en 1918 in mijn villa in Torre del Lago aan mijn komische eenakter Gianni Schicchi werkte, kon ik in die sombere tijd van de Eerste Wereldoorlog wel wat vrolijkheid gebruiken. Mijn tekstschrijver Giovacchino Forzano haalde het verhaal nota bene uit het Inferno van Dante Alighieri, wat niet direct de eerste plek is waar je een avondje onbezorgd lachen verwacht te vinden. Het stuk speelt zich af in het Florence van 1299 en draait helemaal om een sluwe streek rond het vervalsen van een testament. Op 20 april 1918 zette ik de laatste noot op papier, al wist ik toen nog niet dat dit korte kluchtspel zo'n enorm succes zou worden.

Drie opera's voor de prijs van één

Ik heb Gianni Schicchi namelijk niet als los avondvullend werk geschreven, maar als het vrolijke slotstuk van mijn drieluik Il trittico. Het leek mij een prachtig idee om het publiek op één avond drie totaal verschillende korte opera's voor te schotelen, waarin deze komedie na de twee eerdere delen Il tabarro en Suor Angelica voor een luchtige afsluiting zorgt. Na twee zwaardere verhalen hebben de mensen in de zaal tenslotte wel een goed glas muzikale wijn verdiend. En precies midden in die vrolijke chaos rond dat testament liet ik de tijd even stilstaan voor O mio babbino caro.

Lief vaderskindje met een bijbedoeling

De titel betekent zoiets als 'O mijn lieve vadertje', en op het eerste gehoor klinkt het ook alsof ik een bloedserieuze aria vol liefdesverdriet heb gecomponeerd. Mensen denken vaak dat ze naar een diep tragisch operamoment luisteren, maar het is eigenlijk een uitgekookte smeekbede van een verliefde tiener die haar vader probeert te bespelen. In 32 maten, die nog geen drie minuten duren, windt de jonge Lauretta haar vader volledig om haar vinger. Wie zelf kinderen heeft, herkent die toon meteen van het moment waarop ze heel beleefd om extra zakgeld komen vragen.

Onschuld op papier

Om die gespeelde onschuld er lekker dik bovenop te leggen, heb ik na de korte inleiding zelfs de aanwijzing Andantino ingenuo boven de partituur gezet. Dat betekent dat het met een bijna kinderlijke eenvoud gezongen moet worden, in een rustig wiegend tempo in As-groot. Onder de zanglijn laat ik de overige strijkers zachtjes gebroken akkoorden tokkelen, terwijl blazers als de hobo, de althobo, de klarinetten, de fagot en de hoorns voor een warme gloed zorgen. Het klinkt zo oprecht en suikerzoet dat je bijna vergeet dat je midden in een klucht over oplichterij zit.

Feest zonder de componist

Toen het drieluik op 14 december 1918 in première ging in de Metropolitan Opera in New York City, kon ik daar tot mijn grote spijt zelf niet bij zijn. Door alle reisbeperkingen en ellende van de Eerste Wereldoorlog zat ik vast in Italië, dus ik moest van een afstand afwachten hoe het Amerikaanse publiek zou reageren. Gelukkig stond dirigent Roberto Moranzoni daar op de bok en zong de Engelse sopraan Florence Easton de rol van Lauretta. Het is toch een beetje alsof je een uitgebreid feestmaal kookt en vervolgens zelf thuis een droge boterham moet eten.

Meteen op herhaling

Gelukkig hoefde ik me geen enkele zorgen te maken, want Gianni Schicchi sloeg bij zowel het publiek als de critici in New York meteen in als een bom. Toen Florence Easton tijdens die eerste avond O mio babbino caro had gezongen, brak er zo'n oorverdovend applaus los dat de hele voorstelling even stilviel. Het publiek bleef maar klappen totdat ze het stuk ter plekke nog een keer als toegift zong. Voor mij was dat op afstand het mooiste bewijs dat de grap en de mooie melodie precies goed waren geland.

Los op de lessenaar

Mijn Milanese uitgever Casa Ricordi zag die bui in 1918 blijkbaar al hangen toen de muziek voor het eerst werd gedrukt. Ze gaven het stuk namelijk niet alleen uit in het complete boekwerk van Gianni Schicchi, maar brachten de aria meteen ook als los bladmuziekje op de markt. Hoewel ik het echt als een vast onderdeel van de opera had bedoeld, ging het lied daardoor al snel een eigen leven leiden in de concertzaal. Tegenwoordig zingen sopranen het zo vaak als losse toegift dat veel mensen niet eens meer weten dat er nog een hele komedie omheen hoort.

Een aria gaat naar de bioscoop

Vele jaren later kreeg mijn korte melodie zelfs nog een beroemde hoofdrol in de bioscoop, in de film A Room with a View van regisseur James Ivory uit 1985. Voor die verfilming van het boek van E. M. Forster gebruikten ze een opname uit 1983, waarin sopraan Kiri Te Kanawa wordt begeleid door het London Philharmonic Orchestra onder leiding van John Pritchard. Zo hoorde een heel nieuw publiek, dat misschien nog nooit een voet in een operazaal had gezet, ineens mijn muziek uit de luidsprekers stromen. En eerlijk is eerlijk, voor een stukje muzikale chantage dat op de Ponte Vecchio in Florence begon, heeft mijn aria het daarmee toch behoorlijk ver geschopt.
---
Hopelijk vond je het leuk om te horen hoe O mio babbino caro ooit is ontstaan. Achter deze korte aria schuilt natuurlijk nog veel meer moois om te ontdekken, zeker als je goed let op wat er allemaal in de muziek zelf gebeurt. Klik gerust verder op de links hier op de pagina om nog dieper in O mio babbino caro te duiken.