Zingen onder het raam bij Schuberts Serenade (Ständchen)
De achtergrond
Ständchen ("Leise flehen meine Lieder"), No. 4 of Schwanengesang, D. 957

Ik ben Schubert, en hier vertel ik je het verhaal achter mijn Serenade (Ständchen). Je hoort hoe dit lied na mijn dood in een bundel terechtkwam met de titel Schwanengesang, een naam die mijn uitgever bedacht en ik nooit. Of je onze stukken herkent zodra ze klinken, ontdek je op deze site, waar mijn vakgenoten en ik het je leren, dus ga de Trainer in .
---
Een jaar met haast
In 1828, het laatste jaar van mijn leven, ging het met mijn gezondheid steeds slechter. Toch schreef ik toen de Mis in Es (D. 950), het Strijkkwintet in C groot (D. 956) en mijn laatste drie pianosonates. Ik werkte alsof iemand achter mijn stoel stond met een klok in zijn hand. Ook de Serenade (Ständchen) komt uit die maanden, en dat hoor je aan hoe dringend ze klinkt.Eén keer in de schijnwerpers
Op 26 maart 1828 gaf ik het enige openbare concert met alleen mijn eigen werk. Dat was een succes, zowel voor de kunst als voor de portemonnee. Voor iemand die jarenlang vooral in huiskamers en bij vrienden had gespeeld, voelde dat als een zeldzame zonnige dag. Een paar maanden later zat ik weer aan mijn schrijftafel, met een lied dat helemaal over de nacht gaat.Een dichter met een pen en een mening
De woorden komen van Ludwig Rellstab, die zowel dichter als muziekcriticus was. Hij schreef het gedicht tussen 1821 en 1824, en het verscheen in 1827 in Berlijn in zijn Gedichte, Erstes Bändchen. Het is een beetje bijzonder om de tekst van een criticus te gebruiken, want wie zijn eigen verzen op muziek ziet gezet, kijkt vast extra kritisch mee. Gelukkig kreeg ik van hem een tekst die al bijna zingt voordat er een noot onder staat.Vijf coupletten, en ik pas ze aan
Het gedicht heeft vijf coupletten, maar ik hield me niet strikt aan de volgorde die Rellstab had bedacht. Ik herschikte ze en liet het laatste couplet andere muziek krijgen dan de rest. Daardoor krijgt het slot een eigen gewicht, alsof de smekende stem aan het eind niet meer om de hete brij heen wil draaien. Zo'n kleine ingreep in een tekst verandert voor een luisteraar vaak meer dan je zou denken.Staand zingen onder het raam
Het woord Ständchen betekende oorspronkelijk zoiets als een lied dat je staande zingt. Je moet je dus iemand voorstellen die buiten staat, in het donker, en niet weet of er boven iemand luistert. Veel mensen denken bij een serenade aan iets zachts en rustigs, maar dit is eerder een lied vol spanning en verlangen. Niemand weet, ook de zanger niet, hoe deze nacht zal aflopen.Geen echt gelukkig einde
In het midden van het lied klinkt het even alsof de hoop wint, wanneer de dichter zich met zijn geliefde verenigd ziet. Maar het lied eindigt weer in d-mineur, waar het ook begon. Ik laat dus niet horen dat het meisje het raam opendoet, en ik vertel ook niet dat ze het dichthoudt. Die onzekerheid is voor mij het mooiste deel van het hele lied.Een titel die ik nooit heb gekozen
Ik heb de bundel waar dit lied in staat nooit Schwanengesang genoemd. Die naam bedacht de uitgever Tobias Haslinger, die de liederen in 1829 in Wenen uitgaf, een paar maanden na mijn dood. Een zwanenzang is het laatste werk van een kunstenaar, en Haslinger wilde de liederen zo presenteren als mijn laatste testament. De titels van de afzonderlijke liederen, zoals Ständchen, komen wel gewoon van mij.Eén duif te veel
Ständchen is het vierde van zeven liederen op teksten van Rellstab waarmee de bundel opent. Daarna volgen zes liederen op teksten van Heine, en in oktober 1828 bood ik die Heine-liederen apart aan bij een uitgever in Leipzig. Haslinger voegde later alles samen en zette er als veertiende nog Die Taubenpost van Seidl achteraan. Of ik dat lied bij de bundel wilde hebben, weet niemand zeker, en ik laat het graag een beetje in het midden.Het einde in Wenen
Op 19 november 1828 stierf ik in Wenen, op mijn eenendertigste, in het appartement van mijn broer Ferdinand. Officieel was de oorzaak buiktyfus. Het is vreemd dat een lied vol nachtelijke onrust bij zo'n korte levensloop hoort, maar ik heb nooit gevonden dat muziek zich aan een plan moet houden. Ik heb de bundel dus nooit gedrukt gezien.Liszt, gitaren en een lang leven
Franz Liszt bewerkte rond 1840 de hele Schwanengesang voor piano solo, en zijn versie van Ständchen werd de bekendste bewerking. Pianisten spelen die graag als concertstuk of als toegift, en het publiek was er vanaf het begin dol op. Het lied is ook voor veel andere instrumenten bewerkt, bijvoorbeeld voor gitaar, wat bijna een soort terugkeer naar de serenade is waar ik de piano al voor liet doen alsof. Verwar het wel niet met mijn andere serenades, zoals Hark, hark, the lark, want dit lied is een geheel eigen nacht.---
Zo, nu weet je hoe mijn Serenade (Ständchen) is ontstaan in het laatste jaar van mijn leven. Ik stierf in november 1828, op mijn eenendertigste, en het lied verscheen pas na mijn dood in druk. De titel Schwanengesang, waaronder het nu in de verzameling staat, heb ik zelf nooit bedacht, die kwam van mijn uitgever Haslinger. Misschien hoor je die zachte gitaarklanken in de piano nu net iets anders dan eerst. Vond je het leuk om te lezen wat er achter de Serenade (Ständchen) schuilgaat? Er valt nog veel meer te ontdekken, bijvoorbeeld hoe Liszt het lied later voor piano alleen bewerkte en hoe het voor allerlei andere instrumenten is omgezet. Klik daarom gerust op de links hieronder om verder te luisteren en meer over de Serenade (Ständchen) te ontdekken.
