Een keizerlijke binnenkomst bij Beethovens Piano Concerto No 5
De achtergrond

Piano Concerto No. 5 in E-flat major, Op. 73

Beethoven vertelt de achtergrond van zijn Piano Concerto No 5
Ik ben Ludwig van Beethoven, en dit is het verhaal achter mijn Piano Concerto No 5. Je leest hoe ik in 1808 een baan in Cassel aangeboden kreeg en drie beschermheren mij met een jaargeld in Wenen hielden, kort voordat dit concert ontstond. Hier op de site leren mijn collega-componisten en ik je ook onze stukken te herkennen wanneer ze klinken, en je kunt meteen beginnen via  de Trainer uitproberen .
---

Een bijnaam die ik nooit heb uitgekozen

Laat ik beginnen met iets wat mensen vaak verbaast: de bijnaam "Emperor" komt niet van mij. Het concert heeft ook niets te maken met een keizer of met Napoleon, hoe graag sommige luisteraars dat ook denken. Wie het woord echt heeft bedacht, is onzeker: de een noemt de uitgever Johann Baptist Cramer, de ander de Britse schrijver George Grove in 1879. Het verhaal dat een Franse officier in Wenen "C'est l'Empereur!" riep, is nooit bewezen en hoogst onwaarschijnlijk.

Componeren met kanonnen als buren

Ik schreef dit concert in Wenen in 1809, terwijl de legers van Napoleon de stad belegerden. Aan rust om te werken viel dus weinig te beleven. Toch klinkt de muziek niet bang, maar juist heldhaftig en bijna militair. Misschien had ik gewoon behoefte aan een beetje moed op papier.

Kussens over mijn oren

Het verhaal gaat dat ik me in mei 1809, toen Wenen werd beschoten, in de kelder van mijn broer verschuilde. Ik zou kussens over mijn oren hebben gehouden, wat voor een componist een opvallend soort gehoorbescherming is. Mijn gehoor ging toen al achteruit, en een bombardement maakt dat niet beter. Zeker weten doet niemand het, want het wordt altijd met een slag om de arm verteld.

Een aanbod uit Cassel

In 1808 bood Jérôme Bonaparte mij de functie van Kapellmeister in Cassel aan. Ik wilde Wenen niet verlaten, en Wenen wilde mij liever ook niet kwijt. Aartshertog Rudolf, prins Kinsky en prins Lobkowitz beloofden daarom samen een jaarlijks bedrag van 4.000 gulden, zodat ik kon blijven. Zonder die belofte was dit concert misschien nooit in Wenen geschreven.

Een belofte met een kleine lettertjes-kwaliteit

Helaas bleek dat pensioen later minder stevig dan het klonk. Lobkowitz ging in 1811 failliet en Kinsky overleed in 1812. Ik moest een rechtszaak beginnen om mijn geld te krijgen, en in 1815 kreeg ik het eindelijk. Een pensioen dat je moet afdwingen is een vreemde vorm van een vast inkomen.

Drie delen, één lange dag

Een concert bestaat uit delen, en zo'n deel is een stuk met een eigen begin en eind, een beetje zoals een dagdeel in een lange dag. Het eerste deel, Allegro, is de ochtend: levendig, groots, en langer dan het openingsdeel van al mijn eerdere concerten. Het tweede deel, Adagio un poco mosso, is de avond: kalm en in B majeur, bijna een nachtmuziekje. Het derde deel, Rondo: Allegro ma non troppo, is het feest waar je zonder pauze rechtstreeks uit die avond in belandt, met een vrolijk hoofdthema dat als een refrein steeds terugkomt tussen andere melodieën.

Het recept van de cadens

Ik droeg het concert op aan aartshertog Rudolf, mijn beschermheer, vriend en leerling. De cadens, het stuk waarin de solist even alleen mag schitteren en normaal gesproken zelf iets verzint, heb ik helemaal uitgeschreven. Dat is een beetje als een kok die zijn recept niet aan de gast overlaat. Zo weet ik zeker wat je te horen krijgt, wie er ook achter de vleugel zit.

Een première zonder de maker achter de piano

De eerste uitvoering was op 28 november 1811 in Leipzig, en ik zat er niet achter de piano. Mijn gehoor liet het toen niet meer toe dat ik het zelf speelde. Friedrich Schneider was de solist en Johann Philipp Christian Schulz dirigeerde het Gewandhaus Orchestra. Het blijft vreemd om je eigen werk door een ander te laten spelen, een beetje zoals je kind alleen naar school laten gaan.

Mooi, maar wel erg lang

In Wenen klonk het concert voor het eerst op 12 februari 1812, met mijn leerling Carl Czerny als solist. De eerste recensies prezen de originaliteit en de schoonheid van de muziek. Tegelijk vonden critici het te lang, en een van hen vond de zijpaden lastig te volgen voor amateurs. Een uitvoering duurt zo'n 37 tot 40 minuten, en ik vind dat een redelijke tijd voor een wandeling met zoveel zijpaden.

Een concert dat niet meer weg wil

Franz Liszt hield zo veel van het werk dat hij het zijn hele leven speelde. In 1922 maakte Frederic Lamond de eerste complete opname, waardoor je het nu ook thuis kunt horen. Tot en met 2021 is het in Carnegie Hall het vaakst uitgevoerde pianoconcert, met 215 uitvoeringen. Dat een concert dat ooit te lang werd gevonden zo vaak terugkomt, vind ik een mooi compliment.
---
Als ik terugdenk aan dit concert, verbaas ik me er nog altijd over hoe ver het van die benauwde Weense maanden is gekomen. Ik kon het zelf niet eens spelen toen het in 1811 in Leipzig voor het eerst klonk, omdat mijn gehoor het al niet meer toeliet. Toch hebben anderen het werk van me overgenomen: Franz Liszt speelde het zijn hele leven lang, en in 2021 stond het met 215 uitvoeringen bovenaan in Carnegie Hall. Dat vind ik een mooie gedachte, want een stuk is pas echt af als iemand anders het weer tot leven brengt. Heb je het leuk gevonden om meer over de achtergrond van mijn Piano Concerto No 5 te lezen? Er valt nog veel meer te ontdekken, bijvoorbeeld hoe de drie delen in elkaar overlopen en waarom ik de cadens liever zelf opschreef dan aan de solist over te laten. Klik gerust op de links om verder te luisteren en te ontdekken wat dit concert nog meer te bieden heeft.