Skeletten op de dansvloer bij Saint-Saëns' Danse macabre
De achtergrond

Danse macabre, Op. 40

Saint-Saëns vertelt de achtergrond van zijn Danse macabre
Ik ben Camille Saint-Saëns, en dit is het verhaal achter mijn Danse macabre. Je hoort hoe een lied uit 1872 in 1874 een werk voor groot orkest werd, en waarom het publiek bij de première in 1875 nog niet te spreken was. Op deze site leer je van mij en mijn collega-componisten ook om onze stukken te herkennen zodra ze klinken, dus waag een poging in  de Trainer .
---

Eerst was het gewoon een lied

Het begon in 1872 heel bescheiden, als lied voor zangstem en piano. De tekst kwam niet van mij maar van de dichter Henri Cazalis, die de dood liet optreden als gastheer van een nachtelijk bal. Ik schreef er muziek bij en liet het daarna een tijdje rusten. Een zanger met een piano is een prima begin, maar met een zaal vol skeletten heb je al gauw meer volk nodig.

Een dans met een lange geschiedenis

De titel verwijst naar de danse macabre, de dodendans uit de middeleeuwen. Waar die naam vandaan komt, weet niemand zeker. Sommigen denken aan het Latijnse Chorea Machabæorum, de dans van de Makkabeeën, anderen aan het Arabische maqabir, dat 'begraafplaatsen' betekent en via Spanje zou zijn binnengekomen. Het is hoe dan ook een woord dat een gezellige avond nooit zonder bijsmaak aankondigt.

De zanger wordt vervangen

In 1874 maakte ik van het lied een stuk voor orkest, en dat werd een symfonisch gedicht. Zo noem je een stuk zonder zang dat toch een verhaal vertelt, een vorm die Franz Liszt had uitgewerkt en die ik in de jaren zeventig omarmde, te beginnen met Le Rouet d'Omphale in 1871. Danse macabre is daarvan het bekendste voorbeeld geworden. Het bestaat uit één enkel deel, dus het verhaal loopt van het begin tot het eind door zonder dat je tussendoor even kunt ademhalen.

Organist overdag, spookverhalen 's nachts

In die tijd was ik nog organist van La Madeleine, een functie die ik in 1877 zou opgeven. Het Dies irae in mijn stuk komt dan ook uit de kerk, al laat ik het daar op een manier klinken die de priesters niet gewend waren. Daarnaast was ik vice-president van de Société Nationale de Musique, die in 1871 was opgericht. Je kunt dus zeggen dat ik 's zondags de kerk van binnen kende en de rest van de week de kerkhoven.

Eén nacht, van middernacht tot de haan

Het verhaal is eenvoudig: op Halloween roept de dood de doden uit hun graven om te dansen. Ze dansen door tot het ochtend wordt, en dan kraait een haan en moet iedereen terug naar zijn graf. Die haan laat ik door een hobo spelen, vlak voor het einde. Zo duurt het bal precies zo lang als de nacht, en niemand kan zeggen dat de gasten te lang bleven hangen.

Een orkest met veel gasten

Voor dit stuk wilde ik een flinke bezetting, met naast de strijkers en de gewone blazers ook een piccolo, een tuba, drie trombones en een harp. Ook het slagwerk kreeg een belangrijke rol, met pauken, bekkens, een grote trom en een triangel. De piccolo zorgt voor het hoge gefluit dat een spookverhaal nu eenmaal nodig heeft. Een dodendans met alleen zachte violen was ook een tamelijk stille aangelegenheid geworden.

Een première zonder bloemen

Op 24 januari 1875 werd het stuk voor het eerst gespeeld in het Théâtre du Châtelet in Parijs, onder leiding van Édouard Colonne. Over hoe het publiek precies reageerde, lopen de verhalen uiteen: de een spreekt van een slecht onthaal, de ander van wisselende recensies. Roger Nichols haalt kritiek aan op het 'misvormde Dies irae', op het 'afschuwelijke gekrijs' van de solo-viool en op de xylofoon. Een gekrijsende viool en rammelende botten waren blijkbaar meer dan sommige luisteraars op een gewone concertavond aankonden.

Een druk jaar, dat 1875

Ik droeg het stuk op aan Caroline Montigny-Rémaury. Rond diezelfde tijd verscheen het in druk bij Durand, Schoenewerk et Cie. in Parijs. In 1875 trouwde ik ook met Marie-Laure Truffot, en dat huwelijk werd geen gelukkig huwelijk. Het was dus een jaar waarin de dodendans op het podium eerlijk gezegd vrolijker verliep dan het leven thuis.

Van mislukking tot lieveling

Gelukkig bleef het niet bij die eerste avond, want het stuk werd later een geliefd nummer in de concertzaal. Ik merkte zelf op dat violisten hun hoogste snaar op den duur niet meer anders wilden stemmen dan op Es. Franz Liszt maakte een versie voor piano solo, en Ernest Guiraud een voor piano vierhandig. Zelf schreef ik een bewerking voor twee piano's en in 1877 een voor viool en piano.

Skeletten op reis

In 1942 veranderde Vladimir Horowitz de bewerking van Liszt flink, en zijn versie wordt tegenwoordig het vaakst gespeeld. Het geratel van de botten gebruikte ik later opnieuw in het deel 'Fossils' uit The Carnival of the Animals. Dudley Murphy maakte in 1922 een korte film met de titel Danse Macabre, en ook Natalia Trouhanowa in 1911 en Anna Pavlova dansten erop. Tegenwoordig hoor je het als herkenningsmelodie van de Britse televisieserie Jonathan Creek, zodat de doden nog steeds elke week aan het werk zijn.
---
Zo ben je aan het einde gekomen van het verhaal achter mijn Danse macabre. Heb je er met plezier over gelezen? Als ik er nu op terugkijk, vind ik het mooi dat een lied uit 1872 uiteindelijk een stuk voor solo-viool en orkest werd dat de tijd heeft doorstaan. Het begon bij het publiek niet bepaald gemakkelijk, maar de doden bleven dansen. En later wilden violisten hun snaar niet meer anders stemmen. Er valt nog veel meer te ontdekken over dit stuk. Denk aan de bewerkingen voor piano, aan de plaatsen waar de muziek later opdook, of aan de manier waarop elk instrument zijn eigen rol speelt in die nachtelijke dans. Klik gerust op de links hieronder om verder te luisteren en te lezen. Wie weet hoor je er iets dat je de eerste keer helemaal niet had opgemerkt.