APPASSIONATA VAN BEETHOVEN
DE ACHTERGROND

Piano Sonata No. 23 in F minor, Op. 57 ("Appassionata")

Beethoven vertelt de achtergrond van zijn Appassionata
Ik ben Beethoven, en ik ga je het verhaal vertellen achter mijn pianosonate die je misschien kent als de Appassionata. Soms zegt de weg naar een stuk muziek net zoveel als de noten zelf. Ben je benieuwd naar hoe deze sonate is ontstaan? Ik loop het hele verhaal met je mee en wijs je onderweg de plekken aan waar het de moeite waard is om even stil te staan. Als je het verhaal kent, geef ik je een aantal manieren om de Appassionata daarna zelf verder te verkennen.
---

Een naam die ik nooit heb bedacht

Je kent mijn sonate waarschijnlijk als de Appassionata, maar die naam komt niet van mij. Een uitgever in Hamburg, Cranz, zette hem in 1838 op een versie voor vier handen, dus ruim tien jaar na mijn dood in 1827. Het woord appassionato staat zelfs nergens in de noten, hoe hard je ook zoekt. Het is een beetje alsof iemand na je verhuizing een naambordje op je deur schroeft en de hele straat daarna denkt dat je zo heet.

Een klus die jaren duurde

Ik heb lang aan deze sonate gewerkt, van 1804 tot in de eerste helft van 1806. In 1805 waren mijn schetsen klaar, maar daarmee was het stuk nog lang niet af. Ik ben nu eenmaal iemand die een idee eerst honderd keer omdraait voordat het mag blijven. In 1807 verscheen het eindelijk in Wenen, bij een uitgever die Bureau des Arts et d'Industrie heette.

Muziek met een stille zorg erachter

Rond 1798 begon mijn gehoor het te laten afweten, en dat vergeet je niet als je je leven aan geluid hebt gewijd. In oktober 1802 schreef ik in Heiligenstadt een brief aan mijn broers over mijn doofheid en mijn wanhoop. Ik heb hem nooit verstuurd, maar hij laat zien in welke stemming ik toen zat. Die donkere, onrustige jaren zijn precies de periode waarin dit soort stormachtige muziek bij mij naar boven kwam.

Een vriend met een cello

Ik droeg de sonate op aan Franz Graf Brunsvik de Korompa. Hij was een vriend van mij en speelde cello. Je zou het een cadeau kunnen noemen van een musicus aan een andere musicus, zonder dat er een strik omheen hoefde. Of hij de sonate zelf ooit heeft gespeeld, dat weet ik niet, en ik ga het dus ook niet beweren.

Drie delen, als een maaltijd met drie gangen

Een sonate bestaat meestal uit delen, en dat zijn gewoon losse stukken die je na elkaar hoort, een beetje zoals de gangen van een diner. Het voorgerecht is het eerste deel, Allegro assai, snel en vol spanning. Dan komt het tweede deel, Andante con moto, een rustiger gang waarin een eenvoudig thema een paar keer in een nieuw jasje terugkomt. Het laatste deel, Allegro ma non troppo met een Presto op het eind, volgt zonder pauze op het tweede en neemt je mee in een jachtige finale waar je nauwelijks tijd hebt om adem te halen.

Een manuscript met veel doorhalingen

Mijn handschrift van deze sonate bestaat nog en ligt tegenwoordig in de Bibliothèque nationale de France in Parijs. Je ziet er veel doorhalingen en verbeteringen in, want mijn eerste ingeving was zelden mijn laatste. Het manuscript heeft ooit toebehoord aan de pianiste Marie Bigot. Wie het bekijkt, ziet dus geen net schoonschrift maar een werkplaats waar nog gezaagd en geschuurd wordt.

Het verhaal van de regenbui

Op de bladzijden zitten watervlekken, en daar hoort een verhaal bij. Het verhaal gaat dat het manuscript in september 1806 in Silezië drijfnat werd in een onweersbui, nadat ik het kasteel van prins Lichnowsky had verlaten. Of het echt zo gegaan is, weet niemand zeker, want het blijft een anekdote. De vlekken passen er wel bij, en dat maakt het een verhaal dat ik zelf ook graag zou willen geloven.

Niet bepaald een pianoles voor beginners

Dit is een van de technisch zwaarste sonates die ik heb geschreven. Een uitvoering duurt ongeveer 23 tot 27 minuten, en de pianist is al die tijd bezig. Het stuk eindigt bovendien niet in een gouden zonsopgang, maar in tragiek. Wie een vrolijk slot verwacht, krijgt van mij dus geen cadeau.

In goed gezelschap

Mijn Appassionata wordt vaak in één adem genoemd met de Waldstein en Les Adieux. Die drie horen bij de grote sonates uit mijn middelste periode, die loopt van 1802 tot 1812. Eén schrijver beweert zelfs dat dit mijn eigen lievelingssonate was, tot ik Op. 106 schreef, maar dat is zijn mening en geen bewezen feit. Ik zeg er zelf liever niets over, want een componist kiest zijn lievelingskind niet graag hardop.

Een slot zonder genade

Het laatste deel opent met een verminderd septiemakkoord op Bes dat ik twaalf keer herhaal, als een klok die maar blijft slaan. Daarna jaagt de muziek bijna zonder te stoppen door, tot de Presto aan het eind alles nog sneller maakt. Het stuk sluit af met neerwaartse arpeggio's in f-mineur, en daarna blijft er geen enkele troost over. Zo houd ik het graag: een sonate die je niet loslaat, ook als de laatste noot allang is weggestorven.
---
Ik hoop dat je het leuk vond om te lezen hoe mijn Appassionata aan zijn naam kwam en hoe ik eraan werkte. Een sonate die ik niet zelf zo heb genoemd, blijkt dus toch een heel eigen verhaal te hebben. Toch is daarmee lang niet alles verteld, want er valt nog veel meer te ontdekken over deze sonate. Je kunt bijvoorbeeld stilstaan bij de manier waarop de drie delen op elkaar aansluiten, tot het stuk uiteindelijk niet in triomf maar in tragiek eindigt. Ik nodig je uit om op de links hieronder te klikken, zodat je verder kunt luisteren en lezen. Neem er rustig de tijd voor, want deze muziek wordt mooier naarmate je haar beter leert kennen.