Zuchten na de oorlog bij Elgars Cello Concerto in E minor, Op. 85
De achtergrond

Cello Concerto in E minor, Op. 85

Elgar vertelt de achtergrond van zijn Cello Concerto in E minor, Op. 85
Ik ben Edward Elgar, en dit is het verhaal achter mijn Cello Concerto in E minor, Op. 85. Je hoort hoe dit werk in oktober 1919 met te weinig repetitietijd een moeizame première kreeg, en hoe de waardering pas langzaam groeide tot het een van de meest gespeelde celloconcerten werd. Ook leren mijn collega-componisten en ik je op deze site om onze stukken te herkennen wanneer je ze hoort, en je kunt het meteen uitproberen in  de Trainer .
---

Een melodie na de keelarts

In 1918 lag ik in een Londens ziekenhuis met een ontstoken amandel, en dat is niet het begin waarvan je een meesterwerk verwacht. Toch schreef ik de nacht nadat ik weer thuis was een melodie op die later het eerste thema van mijn celloconcert werd. Wanneer ik echt aan het stuk begonnen ben, blijft een beetje een raadsel, want er is niets bekend waaruit blijkt dat ik vóór 1919 aan het werk was. Het verhaal gaat dus dat alles begon met een zere keel en een melodie die ik niet kwijt wilde.

Een huisje in Sussex

Het meeste werk deed ik in Brinkwells, mijn buitenhuisje bij Fittleworth in Sussex. Daar had ik de rust die ik nodig had om een stuk te schrijven dat vooral naar binnen kijkt. Ik wilde geen grote zaal vol schitterende noten maken, maar iets wat klinkt alsof iemand hardop zit na te denken. Dat past ook bij het stuk zelf, want het is peinzender en weemoediger dan mijn Vioolconcert.

Een belofte die niet wegging

Ik had de cellist Carl Fuchs eerder beloofd dat ik iets voor de cello zou schrijven, en hij vergat dat niet. Later hielden hij en Paul Grümmer me er nog eens aan herinnerd, heel beleefd, maar wel doorlopend. Ik was dus niet de eerste die zei dat het ervan zou komen en het daarna op zijn beloop liet. Zo is het soms met beloften: je vergeet ze graag, maar de ander heeft er een prima geheugen voor.

Vier gangen, één maaltijd

Een concert bestaat uit delen, en je kunt dat vergelijken met een menu waarop elke gang op zichzelf staat, terwijl ze samen toch één avondje uit vormen. Het eerste deel, Adagio – Moderato, duurt ongeveer 8 minuten en is een rustige opening, en het tweede, Lento – Allegro molto, is met zo'n 4½ minuut het kortste en het levendigste. Het derde deel is gewoon een Adagio van ongeveer 4 minuten en 50 seconden, een lange, zangerige stilte waarin de cello bijna alleen met zichzelf praat. Het vierde deel is met ongeveer 11½ minuut het langste en draagt een hele reeks aanwijzingen, van Allegro tot Adagio, zodat het sluit met een langzaam en bijna stil afscheid.

Opgedragen aan twee vrienden

Ik droeg het concert op aan Sidney Colvin en zijn vrouw. Een opdracht op de eerste pagina is een manier om te zeggen: dit stuk hoort een beetje bij jullie. De uitgever Novello bracht de partituur in 1920 en 1921 uit, zodat cellisten het eindelijk konden gaan instuderen. Daarmee was het stuk klaar om de wereld in te gaan, ook al was die wereld daar nog niet echt aan toe.

Een première met te weinig repetitietijd

Op 27 oktober 1919 klonk het concert voor het eerst, in de Queen's Hall in Londen, met het London Symphony Orchestra, Felix Salmond als solist en mijzelf voor het orkest. Ik had op een rustige voorbereiding gerekend, maar Albert Coates liet zijn eigen repetitietijd uitlopen. Dat ging ten koste van de tijd die ik had, en je kunt je voorstellen hoe weinig het orkest toen nog van mijn noten wist. Als je een stuk laat horen dat nog maar net uit je pen is, is het jammer als de klok het laatste woord heeft.

Wie het gered heeft

Ik heb Felix Salmond nooit de schuld gegeven van die slechte avond. Integendeel, ik heb altijd gezegd dat zijn goede voorbereiding de uitvoering heeft gered. Ernest Newman schreef in The Observer dat het orkest slecht had gespeeld, maar dat hij de diepe wijsheid en schoonheid van het werk zelf bewonderde. Dat was voor mij een troost: de kritiek ging over de uitvoering, en het stuk zelf had hij gehoord.

Het duurde even voor iemand klapte

Het concert was geen onmiddellijk succes, en de waardering is pas met de jaren gegroeid. Na de première duurde het meer dan een jaar voor het weer in Londen te horen was. Ook in Amerika bleef het stil, want in november 1922 speelden Jean Gérardy en het Philadelphia Orchestra onder Leopold Stokowski het in Carnegie Hall en kreeg het weinig enthousiasme. Na de Eerste Wereldoorlog klonk mijn muziek voor veel mensen ouderwets, en dit stille, weemoedige stuk viel dus niet meteen in de smaak.

Een opname met de grammofoontrechter

In 1920 maakte ik samen met Beatrice Harrison een opname, nog op de oude akoestische manier, waarbij je in een grote trechter speelt. Dat ging zo omslachtig dat het stuk ingekort moest worden, en het was dus maar een gedeeltelijke opname. Pas in 1928 kwam de eerste complete opname, ook weer met Beatrice Harrison. En in 1965 nam Jacqueline du Pré het op met Sir John Barbirolli en het London Symphony Orchestra, en die opname heeft er veel toe bijgedragen dat zoveel mensen het stuk zijn gaan kennen.

Van vergeten stuk naar vaste klassieker

Vandaag is het concert samen met dat van Dvořák een van de twee meest gespeelde celloconcerten die er bestaan. Het orkest dat ik erbij schreef is niet reusachtig: houtblazers, hoorns, trompetten, trombones, een tuba, pauken en strings, zodat de solocello nooit overstemd hoeft te worden. Het geheel duurt iets minder dan dertig minuten, en dat is precies genoeg om je helemaal mee te nemen. Dat een stuk dat bij de première zo weinig tijd kreeg, nu zo vaak wordt gespeeld, vind ik nog altijd een mooie wending.
---
Zo, nu je weet hoe dit celloconcert is ontstaan, uit een zere keel, een melodie midden in de nacht en een huisje in Sussex, vraag ik me af of je het een fijn verhaal vond om te horen. Ik hoop dat je net zoveel plezier hebt gehad bij het lezen over de achtergrond van mijn Cello Concerto in E minor, Op. 85 als ik bij het schrijven ervan had, al was dat plezier met veel weemoed vermengd. Het stuk had het in het begin niet makkelijk, want de première in 1919 ging zo rommelig dat ik er niet blij mee was, en toch groeide de waardering met de jaren. Dat vind ik nog steeds het mooiste aan dit werk: het had de tijd nodig, en daarna kwam het bij steeds meer luisteraars terecht. Er valt trouwens nog veel meer over dit concert te ontdekken, bijvoorbeeld hoe de vier delen op elkaar aansluiten en hoe het stuk in de loop der jaren is opgenomen en gespeeld. Klik gerust op de links hieronder om verder te luisteren en te lezen, en laat de solocello zelf vertellen wat ik er in woorden maar half in kwijt kan. Misschien hoor je dan iets wat je de eerste keer niet opviel.